Beuken

© Wim Benda; Digitale bewerking 08-04-2013 Mark van Loon/Stichting Noviomagus.nl


 

'De drie beuken'

door Wim Benda


Voorwoord


Het verhaal DE DRIE BEUKEN speelt zich af kort na de tweede wereldoorlog en is gesitueerd in de omgeving van de Génestetlaan in Nijmegen. In een mengeling van fictie en non-fictie wordt een sfeertekening gegeven van een stukje Willemskwartier uit die tijd.
De hoofdpersonen, met de fictieve namen Ruud en Joke, staan model voor alle jongens en meisjes die in die tijd in de Génestetlaan en directe omgeving zijn opgegroeid en aan wie ik dit verhaal opdraag.
Ruud is van een leeftijd waarop bij jongens de belangstelling voor het andere geslacht begint te ontluiken. Joke is een iets ouder meisje uit dezelfde buurt.
De knaap, een jonge hond dus nog, ziet zijn impulsiviteit en ondoordachtheid geplaatst tegenover de rationaliteit en gereserveerdheid van het meisje en hij moet in dit opzicht het onderspit delven. Maar als het tweetal in een benarde situatie terechtkomt, is het de jongen die door zijn optreden de held wordt.
Ook de fictieve passages bevatten elementen die in de werkelijkheid van die tijd voorkwamen en die van nature innig verbonden zijn met de jonge mens. Elementen dus, die – zolang de mensheid zichzelf niet verloochend - in elke generatie telkens opnieuw in vele varianten zullen blijven voorkomen.
WBe1991

DE DRIE BEUKEN


Door de opkomende schemering vervagen alle kleuren in het straatje. Van de jongens en meisjes die de hele avond samen hebben gespeeld en geravot, zijn alleen Ruud en Joke nog buiten.
Ze staan bij elkaar op de hoek van de Génestetlaan en de Ten Katestraat; half leunend tegen en half zittend op de muurresten van de door een granaatvoltreffer verwoeste kruidenierswinkel.

‘Je moeder is je zeker vergeten,’ zo verbreekt Ruud de stilte. ‘Jij bent anders altijd een van de eersten die binnen moet zijn.’
Ruud kan het weten, want hij heeft sinds enige tijd een bijzondere belangstelling voor Joke. Hoewel zij met haar dertien jaren bijna twee jaar ouder is dan Ruud, is hij toch graag bij haar in de buurt en als zij ‘s avonds naar binnen geroepen wordt maakt dat voor Ruud het samenzijn met de overige buurtgenootjes meteen een stuk minder leuk.
‘Mijn vader en moeder zijn niet thuis,’ zegt Joke, terwijl ze met beide handen het elastieken bandje in haar blonde paardenstaart wat strakker aantrekt.
‘Oh...,’ was alles wat Ruud laat horen, terwijl zijn gedachten erachter een vreemd gevoel van opwinding bij hem veroorzaakt.
‘Om negen uur zouden ze weer terug zijn. Ik moet wel zorgen dat ik dan thuis ben, anders krijg ik moppers.’
‘Moppers’, zegt Ruud haar na, ‘wat een leuk woord is dat; het klinkt zo grappig.’
‘Het klinkt leuker dan het is,’ zegt ze, terwijl ze nog wat aan haar paardenstaart frunnikt en hem schuin onder haar wenkbrauwen door aankijkt, waardoor er rimpeltjes in haar voorhoofd komen die haar gezicht iets moederlijks geven.

Ze kijken uit over het ‘weitje’. Hoewel er nooit beesten gegraasd hebben wordt het met onkruid overwoekerde stuk braakland, achter de winkels van de Willemsweg, toch weitje genoemd. ‘Slagveld’ zou een toepasselijker naam zijn geweest voor dit stuk grond waarop door de grotere jongens uit de dichtersbuurt regelmatig oorlogje wordt gevoerd. Ook de oudere broers van Ruud zijn geregeld in een felle strijd gewikkeld tegen de jongens die voornamelijk woonachtig zijn aan de Willemsweg.

Vanaf zijn standpunt kan Ruud aan de andere kant van het weitje nog juist het silhouet van het half ingegraven ‘vijandelijke hoofdkwartier’ van de Willemsweg zien. Het is een van afvalmateriaal in elkaar getimmerde hut die over een kuil heen gebouwd is en omringd wordt een aarden wal. De hut ligt er verlaten bij. Er is op het hele weitje geen spoor van leven te bekennen.

Terwijl Ruud in de verte staat te turen komen als vanzelf de levendige beelden van het strijdgewoel voor zijn geest. En als in een film ziet hij hoe de partijen proberen elkaar op afstand te houden door de ander te bekogelen met keien en met zand gevulde conservenblikjes. Daarbij gaat het er soms heet aan toe. Een van onze jongens was door zo’n blikje in zijn gezicht getroffen. Hevig bloedend moest hij de strijd staken. Hij zal voortaan door het leven moeten met een ontsierend litteken in zijn bovenlip.
Het meest heroďsch zijn de taferelen wanneer iemand tot in de vijandelijke linies weet door te dringen en kans ziet de verschansingen onklaar te maken, of als hij zelfs een gevecht van man tot man aangaat.

De meeste jongens van beide partijen dragen wel enkele militaire uitrustingsstukken uit de oorlog - die nog niet zo lang geleden is beëindigd en waarbij de stad maandenlang in de frontlinie heeft gelegen. De een heeft alleen een koppel, de ander een min of meer compleet uniform met distinctieven en al. Weer anderen hebben patroonbanden omgegord of lopen met een bajonet aan hun broekriem. Veel van de jongens dragen een baret, cap of helm van Engelse of Amerikaanse herkomst. Alles wat de ‘vijand’ maar zou kunnen imponeren of afschrikken wordt meegevoerd, van namaakgeweertjes en houten zwaarden tot katapulten en natuurlijk de wasteildeksels die dienst doen als schilden ter bescherming tegen de rondvliegende projectielen. Iedere jongen die zich met dat soort uitrustingsstukken heeft uitgedost voelt zich meteen een echte soldaat en doet fanatiek mee. Doorgaans zijn de groepen redelijk goed tegen elkaar opgewassen. Een offensief van een van de partijen heeft op de aangevallen partij dezelfde uitwerking als een rode lap op een stier. Daaruit wordt door de belaagden kracht en moed geput om een succesvolle tegenaanval op te zetten. Zo golft de strijd heen en weer.

Zonder dat Ruud het zelf merkt balt hij zijn vuisten als de beelden naar boven komen van die keer dat het evenwicht tussen de twee groepen ernstig werd verstoord. Dat was toen een wat oudere, pokdalige jongen uit Den Haag die tijdelijk bij een familie op de Willemsweg woont en zich bij de Willemsgroep had aangesloten. Die knaap heeft zich bij de jongens uit de dichtersbuurt gehaat gemaakt. Niet alleen omdat hij getooid met een Duitse helm op het strijdtoneel verscheen, maar ook doordat hij zich bediende van een echte windbuks. Met dit onconventionele wapen vuurde hij loden kogeltjes en geniepige pluimpjes op zijn vijanden af.

Ruud wordt uit zijn dromerig gemijmer weer tot de werkelijkheid teruggebracht als Joke plotseling vraagt:
‘Zullen we eens bij de hut gaan kijken?’
Ruud kijkt Joke een moment verward aan en zegt dan met een zekere gretigheid:
‘Ja kom, laten we dat doen.’

Ze steken de verlaten straat over en betreden het weitje via de afrastering, die door het oorlogsgeweld allang geen afrastering meer is; alles wat er nog van rest is hier en daar een houten paaltje met stukken roestig prikkeldraad. Met Joke voorop volgt het tweetal het voetpad dat rechts van het weitje strak langs de achtertuinen van de huizen aan de Willemsweg loopt.

De achtergevels zijn allemaal eentonig grijs gepleisterd en lijken daardoor erg veel op elkaar. Hoewel Ruud de huizen en winkels aan de Willemsweg op zijn duimpje kent, kan hij zich, hier aan de achterkant, maar met moeite oriënteren. Een goed aanknopingspunt vormen de stapels lege veilingkisten in de tuin van de groenteboer. Ruud weet dat er op die kisten moet staan: Veiling Bemmel & Omstreken, maar dat kan hij in het half duister niet onderscheiden. Hoe vaak heeft hij die woorden wel niet gelezen? Elke dag op zijn gang naar en van school komt hij immers langs die groentewinkel. Wegens gebrek aan ruimte binnen, wordt ook een deel van de stoep gebruikt om de koopwaar in die, met zwarte letters bedrukte, kisten uit te stallen.
Eens had Ruud de verleiding niet kunnen weerstaan en een appel uit een van die kisten gepikt. De groenteboer zag van achter de toonbank die illegale manier van winkelen en was hem schreeuwend en scheldend achterna gerend. Maar Ruud was veel rapper geweest en toen de man nog maar halverwege de winkelstraat ter hoogte van de apotheek de achtervolging had opgegeven was Ruud aan het eind van de Willemsweg al in de richting van de Graafsebrug verdwenen. Ruud moet bij het zien van de kisten weer denken aan dat voorval en aan de weken daarna, toen hij het uit veiligheidsoverwegingen verstandiger vond om voorlopig via de stoep aan de andere kant van de straat naar school te gaan.

Omzichtig loopt het tweetal verder, daarbij steeds de hut in de gaten houdend om te zien of er misschien toch nog iemand in de buurt is.
Bij de groenteboer brandt licht in de huiskamer. Joke schopt een rotte appel die op het pad ligt weer terug op de berg van wormstekig en beurs fruit en onverkoopbare verlepte groenten, die naast het voetpad op het weitje zijn gestort. Bij de apotheek, waar alleen maar een praktijk is en geen woonhuis, is op dit uur van de avond alles donker

Ondertussen is er een lichte nevel komen opzetten, die zich als een grijze dampige deken over het weitje uitspreidt. Ruud kijkt eens om. Hij kan de Génestetlaan die ze zojuist zijn overgestoken nauwelijks nog zien.


Gevolgd door Ruud stapt Joke parmantig verder over het smalle paadje. Haar kniekousen zijn afgezakt en hangen als witte kragen over haar schoenen. Haar gebruinde benen zijn in de opkomende duisternis nauwelijks nog te onderscheiden. Als Ruud onder het lopen langere tijd achter elkaar zijn blik op haar voeten gericht houdt beginnen de kousen op twee witte katten te lijken die om beurten een sprongetje vooruit doen.

Plotseling blijft Joke staan. Ruud botst tegen haar op.
‘Wat is er?’ vraagt hij met gedempte stem. Zonder iets te zeggen wijst Joke naar het huis van kapper, waar iemand naar buiten komt, een eindje de tuin in loopt en een poezennaam begint te roepen. Vanaf een tuinhek springt een kat naar de figuur toe en gezamenlijk verdwijnen ze het huis in.
Als alles weer rustig lijkt verlaten ze het voetpad en lopen door het vochtige gras recht op de hut af. De klamme grashalmen vegen langs Joke’s blote benen. Vlak bij de hut houdt Joke in.
‘Zou er iemand in zijn?’ fluistert ze zachtjes.
‘Ik denk het niet. Het is zo rustig,’ antwoordt Ruud en hij begint voetje voor voetje om de hut heen te lopen op zoek naar de ingang. Joke volgt hem. Ergens bij de huizen begint een hond te blaffen.

De ingang van de hut is afgesloten met een juten zak die aan twee spijkers hangt en vochtig is en zwaar van het aanklevende zand. Even blijven ze muisstil bij de ingang staan. Dan duwt Ruud de zak een stukje opzij en gluurt naar binnen. Joke staat achter hem en kijkt over zijn schouder mee. Ruud voelt Joke’s haren in zijn nek kriebelen en ruikt de kruidige geur van haar huid.

‘Ik zie niks,’ fluistert Ruud en duwt de zak nog wat verder aan de kant. De zak schiet van de spijkers los en valt op enkele lege conservenblikken, die rammelend over de grond rollen. Verstijfd van schrik blijven ze staan. In de verte blaft de hond weer. Ruuds hart bonst in zijn keel. Als de schrik een beetje uit hem is weggetrokken bemerkt hij pas de stevige greep van Joke’s hand om zijn arm.
‘Ik schrok me een hoedje,’ fluistert ze.

Op de tast lopen ze stapje voor stapje verder naar binnen. Ergens in het midden van de ruimte blijven ze staan. Joke houdt nog steeds Ruuds arm omklemd. Er gaat een warm gevoel door hem heen. Met zachte hand maakt Ruud zich uit haar greep los. Hij schuifelt naar de wand en begint die af te tasten. In de aarden wand zijn op verschillende plaatsen nissen uitgegraven waarin allerlei spulletjes opgeborgen kunnen worden.
‘Wat ben je aan het doen?’ vraagt Joke zachtjes.
‘Ik zoek het knopje van het licht,’ zegt Ruud spottend, ‘Hopelijk ligt hier nog iets waar je licht mee kunt maken. Een stukje kaars, of misschien wel een knijpkat.’
In een gat vlak bij de ingang ontdekt Ruud een glazen potje. Voorzichtig pakt hij hem op en begint hem als een blinde met zijn vingers te ‘bekijken’.
‘Ja, ik heb wat!’ roept hij met gedempte stem, maar niet minder verrukt.

Ruud heeft het zelfgemaakte olielampje herkend. Zijn vader had ze in de oorlog ook wel gemaakt: een jampot met midden in het deksel een ventiel van een fietsband waar doorheen een lont is gestoken die tot onder in de pot hangt. Gevuld met petroleum of benzine is het een olielampje dat uitstekend als noodverlichting dienst kan doen.

Ruud ruikt aan de lont.
‘Zoek jij even in dat gat naar lucifers, want ik heb hier een lamp waar nog wel wat benzine in zit.’
Joke graait in de holte en haalt er twee lucifersdoosjes uit. Ze schudt ze een voor een. Een doosje blijkt leeg te zijn en de andere ritselt slechts magertjes. Ze schuift het doosje, dat wat vochtig aanvoelt, open en peutert er een lucifer uit. Ze tast het stokje af om vast te stellen waar de kop zit. Voorzichtig strijkt ze ermee langs de zijkant van het doosje. Tussen de kop en het strijkvlakje ontstaan enkele kleine vonkjes die meteen weer smoren.
‘De lucifers zijn nat.’
‘Laat mij het maar even doen,’ zegt Ruud, die bang is dat Joke met dat gestrijk het vochtige strijkvlakje zal vernielen. Dan zal het zeker niet meer lukken.
Hij steekt zijn handen uit in de richting van Joke en maakt zoekende bewegingen tot hij de klamme huid van haar bovenarmen voelt. Hij laat zijn handen langs haar armen afdalen naar haar handen en neemt het lucifersdoosje van haar over.

Ruud weet uit ondervinding dat bij een bijna opgebruikt, oud lucifersdoosje het gedeelte aan de randen van het strijkvlakje meestal nog aardig goed intact is. Hij haalt een van de resterende lucifers uit het doosje en strijkt er een paar keer stevig mee langs het minst gesleten deel. Er breekt een stuk van de kop af. Het overgebleven stukje komt traag tot ontbranding, maar is niet in staat het houtje in vlam te zetten. Ruud neemt de voorlaatste lucifer uit het doosje en doet een tweede poging, die meer succes blijkt te hebben.
‘Ja, hij doet het,’ zegt hij opgetogen. Voorzichtig brengt hij het vlammetje over op de lont van het olielampje.

De flakkerende vlam werpt een flauw licht op de aarden wanden en de planken zoldering. Joke sluit de ingang af door de juten zak weer aan de spijkers te haken waarna ze een leeg conservenblik van de grond oppakt en omgekeerd midden in de hut neerzet.
‘Zet hem hier maar op,’ zegt ze, terwijl ze zich behaaglijk in kleermakerszit op de grond laat zakken. Ruud volgt haar voorbeeld en zet het lampje op het blik. Onderzoekend nemen ze de ruimte in zich op.


Ruud voelt zich een beetje als een spion in deze vijandelijke stelling. Hij vindt dat hij, voordat hij straks de hut weer gaat verlaten, het arsenaal aan werptuig, zoals keien en met zand gevulde blikjes, die hier en daar in de hut opgestapeld blijken te liggen, onschadelijk moet maken. Door de gedachten aan zo’n verzetsdaad krijgt Ruud een sensationeel gevoel in zijn binnenste. Straks zal ik hier de boel eens flink saboteren, denkt hij.
Enige tijd blijven ze zonder iets te zeggen tegenover elkaar zitten met het roetende olielampje tussen hen in.

Ruud kijkt naar Joke en ziet hoe het spaarzame licht van het lampje vreemde schaduwen op haar fijn besneden gezicht laat vallen. Haar, anders zo helderblauwe, ogen zijn nauwelijks te onderscheiden. Ruud voelt zijn hart in zijn keel bonzen en begint op de vochtige grond onrustig heen en weer te schuifelen. Komt het misschien door de spanning van het moment? Of is het de knusse en intieme sfeer die hier door de beslotenheid van deze kuil wordt uitgestraald en versterkt wordt door de dichte nabijheid van het liefste meisje van de Ten Katestraat? Dit is het goede moment, denkt Ruud, om het eens met Joke te hebben over die kwestie waar hij al een paar weken mee rondloopt. Hij voelt in zijn buik een vreemd maar aangenaam gevoel opkomen. Een gevoel dat zijn hele lijf doet gloeien en bruisen.

‘Weet je..., Joke..., weet je wat je mij een keer hebt beloofd?’ zo verbreekt Ruud aarzelend de stilte.
‘Nee, wat dan?’ vraagt ze luchtig.
‘Je hebt beloofd, dat ik de jouwe een keer mocht zien.’
Joke trekt haar haarbandje wat strakker en spreekt op een zakelijke toon:
‘Ja, maar dan zou ik van jou eerst tien knikkers krijgen en die heb ik nog nooit van je gehad.’
‘Die krijg je morgen van me, echt waar,’ belooft Ruud plechtig met een hand op zijn bonzend hartje.
‘Nee, ik moet eerst die knikkers hebben dan pas mag je kijken, eerder niet,’ zegt Joke resoluut.
Ruuds blik daalt af en kijkt via haar blote armen die op haar knieën rusten naar haar gebruinde benen die als twee gekruiste degens een in duisternis gehulde kostbaarheid lijken te beschermen.
‘Ach, toe nou,’ smeekt Ruud, ‘je hebt het beloofd en dan moet je het ook doen.’
‘Nou goed dan,’ zegt Joke met een twinkeling in haar ogen, ‘maar dan wil ik eerst jouw piemel zien.’
Daar heeft Ruud geen bezwaar tegen. Hij gaat al rechtop staan en ontknoopt zijn broek, laat hem even zakken en trekt hem meteen weer omhoog.
‘Nee, dat is niet eerlijk; ik heb nog niks gezien. Nog een keer, maar dan niet zo vlug.’
Ruud doet zijn broek opnieuw omlaag. Joke staart aandachtig naar Ruuds onderlijf. Bij het spaarzame licht kan ze niet zo goed zien en om een beetje bij te lichten, pakt ze het olielampje en houdt het bij Ruuds pieleke. Schielijk trekt Ruud zijn broek weer omhoog en roept verschrikt:
‘Je mag hem wel bekijken, maar niet aansteken...!’
Terwijl hij weer gaat zitten schampert Joke:
‘Is dat nou alles?’
Vergoelijkend roept Ruud:
‘En die tien knikkers dan? Die krijg je er ook nog bij.’

Het jongenslijf trilt van spanning en opwinding. Buiten begint de hond weer te blaffen, maar Ruud hoort het niet. Op dit moment heeft hij alleen nog maar aandacht voor dat ene, waar hij zo lang naar had verlangd. Nu staat het te gebeuren dat hij het fascinerendste, het meest mysterieuze, het altijd verborgene en daardoor het begerenswaardigste van een meisje zou mogen zien. Deze ervaring zou hem in een keer aanzien verschaffen bij zijn vriendjes. Hij zou voortaan niet alleen hun sterke verhalen beter begrijpen, maar ook uit eigen ervaring een duit in het zakje kunnen doen.

‘Nou mag ik de jouwe zien, hč?’ vraagt Ruud begerig en ongeduldig.
‘Laten we maar naar huis gaan, anders krijg ik van mijn moeder op m’n kop,’ zegt Joke droogjes en tot Ruuds teleurstelling en ergernis.
‘Dat is gemeen! Toe nou, heel even maar,’ sputtert hij, ‘ik zal er een looier bij doen.’
Met dit royale gebaar probeert hij te redden wat er nog te redden valt. Maar Joke komt met een tegenbod:
‘Eén looier en drie beuken.’ Daarvoor wil ze, zoals ze daar zit wel iets prijsgeven, maar zeker niet voor minder.
Beuken zijn Ruuds mooiste knikkers die het meeste waard zijn en waar hij er nog maar een paar van heeft.
‘Je wilt mijn beuken...!’ roept Ruud ontzet uit.
‘Ja, ik wil ook je beuken.’

‘Wŕt willen jullie...?!’ zo klinkt plotseling een baard-in-de-keel-stem achter de zak vandaan.
Verstijfd van schrik staren Ruud en Joke elkaar enkele ogenblikken met grote ogen aan. Daarna kijken ze, als op een onhoorbaar commando, tegelijk naar de ingang. De zak is opzij geduwd en door de vrijgekomen driehoek steekt een hoofd naar binnen. Het is een pokdalige gezicht dat in het zwakke schijnsel van het olielampje wel op een maanlandschap lijkt. Onder die ongure tronie probeert een hond jankend en gretig grommend, naar binnen te komen, maar zijn baas houdt de riem strak, zodat de hond niet meer dan zijn dreigende kop naar binnen kan steken. Het flitst door Ruud heen: dat is die Hagenees, die schutter van de Willemsgroep, die fielt, die laaghartige ploert, die met zijn windbuks op onze jongens heeft geschoten. Wat zou die vuilak met zijn kwaadaardige hond van plan zijn…?

Bij het zien van die twee dreigende koppen schuift Joke angstig naar Ruud toe. Ruud legt kalmerend een arm om haar heen. Ze zitten in een val. Ze kunnen geen kant meer op. Die gemene vent met zijn hond is niet te vertrouwen. Snel maakt Ruud een paar knopen van zijn broek dicht.
‘Wat hebben jullie hier te zoeken...?! Zeker vieze spelletjes spelen, hč?!’ zo gaat de smiecht verder.

Onmerkbaar begint Ruud met zijn rechterhand achter zich over de grond te graaien. Daarna komt hij langzaam, maar op zijn hoede, overeind. Joke gaat achter hem staan.
‘We gaan al,’ zegt Ruud zo kalm mogelijk.
‘Gaan..., gaan…?! Dat had je gedacht. Ik heb heus wel gehoord wat jullie van plan zijn! Terug! En ga zitten!’ schreeuwt hij en laat de hond een stukje vieren die dreigend zijn tanden ontbloot.

Zitten? Dat nooit! denkt Ruud en het is alsof een felle bliksemschicht door zijn hoofd slaat. Hij krijgt een waas voor zijn ogen en zonder de verdere ontwikkelingen af te wachten schopt hij met kracht het brandende olielampje in de richting van de hond. Het glazen potje komt op een hoopje keien terecht en spat in stukken uiteen. Het beetje resterende benzine verspreidt zich over de grond en vliegt in brand. Enkele brandende spetters komen op de hond terecht, waarna die zich jankend van zijn baas losrukt en naar buiten vlucht. Vrijwel tegelijkertijd haalt Ruud met zijn rechterhand uit naar het maanlandschap en treft met zijn vuist, waarin hij al die tijd een kei verborgen hield, de linker slaap van de indringer. De pokdalige kop vertrekt in een grimas. Dan begint de belager te wankelen en valt met een plof voorover de hut in.
‘Kom Joke…, lopen!’ roept Ruud en trekt haar, over het roerloze lichaam heen, naar buiten. De hond is nergens meer te zien. Hand in hand hollen ze zo hard ze kunnen over het weitje in de richting van de Génestetlaan. Ruud kijkt nog even achterom en ziet hoe de nevel in stukken wordt gesneden door het flauwe gele licht dat door de kieren en openingen van de hut naar buiten flakkert.
Ruuds sabotageopdracht lijkt meer dan voltooid.

In de Ten Katestraat aangekomen, zegt Joke amechtig:
‘Wat goed van je...’
‘O, dat was niks. Laten we nu maar maken dat we thuis komen.’
‘Ja goed, tot morgen dan maar.’

Voordat ze uit elkaar gaan, fluistert Joke nog, terwijl ze met trillende handen het bandje om haar paardenstaart wat omhoog schuift en schuin onder haar wenkbrauwen door Ruud aankijkt:
‘Ruud..., die beuken hč..., die mag je wel houden hoor..., die hoef je er morgen niet bij te doen.’

-o-0-o-

Wim Benda

REAGEER

terug naar gastredacties   

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: