Villanova

© Wim Benda; Digitale bewerking 15-03-2012 Mark van Loon/Stichting Noviomagus.nl

St. Thomas à Villanova
Graafseweg - Nijmegen

door Wim Benda

Voorwoord - 1 Het kerkgebouw - 2 Een protestactie - 3 Het knapenkoortje - 4 De vroege hoogmis - 5 De oorbiecht


Voorwoord


Onze verhuizing - in de winter van ’39-’40 - naar de dichtersbuurt had tot gevolg dat wij voortaan onder de parochie van St. Thomas à Villanova kwamen te ressorteren. Voortaan zou ik in deze parochiekerk en op de bij de parochie behorende St. Jozefschool aan de Azaleastraat, mijn dagelijkse, geestelijke vitamientjes moeten opdoen.

De twee instellingen speelden in de lagereschooltijd een belangrijke rol in mijn nog jonge leven. Toen ik de eerste stapjes in school en kerk zette was ik nog een vormeloze klomp klei. Er werd net zolang met me gekneed, gerold en geplet tot ik de vorm en gesteldheid had gekregen die aan de toen geldende normen voldeed. Zowel de kerk als de school boetseerden er lustig op los.

Als ik nu, na ruim 65 jaar, terugkijk op de periode van de twee-eenheid kerk/school, dan dringt zich de vergelijking op met twee speeltoestellen. De school zie ik als een klimrek waar je in klautert om hogerop te komen. En de kerk is in mijn geval een glijbaan gebleken (met alle respect overigens voor degenen die andere keuzes hebben gemaakt en voor wie de vergelijking niet opgaat). Door mijn ouders ben ik bovenaan op het plateau neergezet. Daar heb ik wat heen en weer gedrenteld en rondgekeken. Toen daarboven niets meer was wat mij nog boeide ben ik uiteindelijk naar beneden geroetsjt. Sommigen doen dan nog wel eens pogingen om via de glibberige baan weer naar boven te krabbelen, maar die aanvechting heb ik nooit gehad.

In de hierna volgende anekdotes doe ik verslag van enkele persoonlijke ervaringen die ik in de veertiger jaren in en rond de kerk van St. Thomas à Villanova heb ik opgedaan en die kennelijk zoveel indruk op mijn kinderlijk gemoed hebben gemaakt dat ze zich blijvend in mijn geheugen hebben genesteld.


- 1 -

Het kerkgebouw


Hoog stak de, in de jaren ’20 gebouwde, kerk uit boven de rij woningen aan de Graafseweg, tussen de Azaleastraat en de Derde van Hezewijkstraat.


Dit gebedshuis leek niet op een ‘echte’ kerk. Andere kerken in Nijmegen, zoals de Augustijnerkerk of de Molenstraatskerk of de kerk aan de Groenestraat, dat waren in mijn ogen echte kerken; met gebrandschilderde ramen, een echt orgel en naar de hemel wijzende klokkentorens. De kerk van St. Thomas à Villanova daarentegen vertoonde meer gelijkenis met een uit zijn krachten gegroeide schaapskooi met een immens groot zadeldak dat gedekt was met dezelfde soort oranjerode dakpannen als die ook voor de woningen in de dichtersbuurt waren toegepast.
Hoog boven de nok van het dak uit torende een groot, lelijk kruis dat leek te zijn vervaardigd van het soort onbeschilderd rondhout dat ook voor telefoonpalen werd gebruikt. Een wanstaltig kruis dus.
Binnen in de kerk viel direct het ontbreken van pilaren op. Bij het ontwerpen van dit low-budget-gebouw avant-la-lettre, had de architect gekozen voor een goedkope, zelfdragende constructie van met hout beklede stalen kapspanten. Deze constructiewijze maakte een extra dakondersteuning in de vorm van pilaren overbodig.


Tijdens de herfststormen - als het dak zich vervaarlijk krakend en kreunend onder de enorme windbelasting staande probeerde te houden - zal menige kerkganger zich, bewust of onbewust, hebben afgevraagd of een goedkoop dak ook een betrouwbaar dak kan zijn. Dat de dakconstructie nooit onder het stormgeweld is bezweken is in eerste instantie te danken aan de door de architect bij zijn sterkteberekeningen gehanteerde veiligheidsfac-toren. Maar het zal ongetwijfeld ook aan de angstige kerkgangers te danken zijn geweest, omdat zij bij elke stevige rukwind een serie schietgebedjes de krakende kapspanten injoegen.


- 2 -

Een protestactie


Vooraan in de kerk waren de banken voorzien van bronzen plaatjes met de namen erop van de meer welgestelde families die deze plaatsen voor een bepaalde tijd of misschien wel levenslang hadden gepacht.


De goedgelovigen die het niet zo breed hadden moesten genoegen nemen met de anonieme banken verder achterin de kerk.

Dat het onder de welgestelden ook niet altijd botertje tot de boom was bleek toen op een zondagmorgen vlak voor de aanvang van de hoogmis een fors gebouwde man ostentatief en schijnbaar blind van woede de kerk kwam binnenstormen. Wild zwaaiend liep hij door het middenpad naar een van de voorste banken. In zijn hand had hij een schroevendraaier geklemd alsof het een steekwapen was. Hij wrong zich voor de reeds in de bank aanwezigen langs tot een nog lege plaats ergens halverwege. Ten aanschouwen van eenieder begon hij met driftige bewegingen het naamplaatje van de pachtplaats af te schroeven. Dat op de Dag des Heren geen lichamelijke arbeid verricht mag worden deerde hem geenszins.

Iedereen die dit tafereel gadesloeg was er zich van bewust dat er iets ernstigs gaande was en dat zich hier een persoonlijk drama afspeelde. Deze demonstratieve handeling hield meer in dan slechts een provocerende schending van de zondagsrust. Menigeen moet zich met mij hebben afgevraagd wie of wat de man ertoe gedreven heeft om in dit godshuis onder de ogen van de kerkgangers te tonen een conflict met de kerk te hebben. Was het een moedig, en daarom niet minder effectief, protest tegen een al dan niet vermeend onrecht dat hem door de pastoor of kapelaan was aangedaan? Met het verwijderen van zijn naambordje leek de man in ieder geval definitief met de kerk te hebben willen breken.


Deze verstoring van de sacrale gezapigheid maakte op mij een diepe indruk. De vraag, waarom de herder van de parochie niet in staat is geweest dit schaap bij de kudde te houden, heeft me nog lang bezig gehouden.


- 3 -

Het knapenkoortje


In onze parochie ben ik een blauwe maandag lid geweest van het jongenskoortje. De leider van dit koortje was naast dirigent ook organist. Waarschijnlijk doordat de parochie zich geen echt orgel kon permitteren moest de dirigentorganist zich behelpen met een kerkharmonium. Dit kerkmeubelstuk, dat links van het priesterkoor stond, had een klavier met daarboven een rij registerknoppen. Aan de zijkant van het instrument bevond zich een houten hefboom. Door die hevel met de hand heen en neer te bewegen werden de blaasbalgen bediend waarmee lucht in de windkamers van het instrument kon worden gepompt. Bij toerbeurt werd een koorlid aangewezen om op een krukje bij de hevel te gaan zitten en te pompen. De pomper had een belangrijke functie, want zonder die voortdurende beademing kwam er geen fatsoenlijke toon uit die kast. Vooral als de organist veel registers opentrok moest de pomper flink aanpoten, want anders ging het al gauw decrescendo.

In ons koortje mocht een zekere Emiel altijd voorzingen, niet alleen omdat hij het neefje van de dirigerende organist was, maar vooral ook omdat hij van ons allen de mooiste en helderste zangstem had.

Tijdens de repetities moest op een nieuw lied soms schier eindeloos worden geoefend om de melodie en de meestal Latijnse tekst goed onder de knie te krijgen. Zo ook met de lofzang van Maria, het Magnificat. Dit lied werd er zodanig ingehamerd dat het nog lang in ons hoofd bleef nagalmen. Zo gebeurde het weleens dat op het schoolplein tijdens het speelkwartier een jongen spontaan het lied inzette waarna anderen volgden. Maar het duurde niet lang of we gingen er de draak mee steken en begonnen er andere woorden bij te verzinnen. Uit de inbreng van enkele creatievelingen werd aldus een nieuwe beginregel van het lied samengesteld. En zo ontstond naast de officiële, Latijnse versie, Magnificat, anima mea Dominum, ook een Nederlandse straatversie. Vanaf dat moment was op het schoolplein alleen nog maar deze alternatieve versie te horen die telkens weer de beoogde en besmuikte hilariteit teweegbracht.

Voor het lof op een zondagavond stond het Magnificat op het repertoire. Ik had die keer winddienst. Na een openingslied was het Magnificat aan de beurt. Terwijl de intro werd gespeeld wachtte Emiel nauwlettend op de hoofdknik van zijn oom ten teken dat hij zijn solostuk ten beste kon gaan geven.


De heldere jongensstem schalde door het kerkgebouw met de aanvangswoorden van het klassieke lied:

‘Mag niet vieze kat…, Annie mag mee naar opoe toe…’

Toen de laatste tonen van het lied hadden geklonken trad voor mij een rustpauze in. De windkamer bevatte voldoende lucht om het slotakkoord volledig te laten uitklinken. Ik zag vanaf mijn krukje hoe de dirigent vanachter zijn instrument oprees en met een rood hoofd regelrecht op Emiel toe liep. Zonder een woord te zeggen gaf hij zijn neefje met de vlakke hand een flinke draai om zijn oren.

Ach, die arme Emiel…! Was hij nou helemaal vergeten dat hij in het godshuis stond te zingen en niet op straat? Of heeft hij met opzet zijn oom willen stangen…?


- 4 -

De vroege vroegmis


Het kenmerk van een vroegmis is dat de mis vroeg begint. Soms zelfs zeer vroeg, vaak nog voor het krieken van de dag.

Op een van de spaarzame keren dat ik een vroegmis bijwoonde, zat ik op mijn favoriete plekje, ergens links achterin. Na mij kwam een politieagent door het gangpad naar voren gelopen met zijn uniformpet in zijn hand. Het was een vreemd gezicht een politieman zonder pet. In een Godshuis is het dragen van een hoofddeksel door het mannelijke deel van de bezoekers nu eenmaal niet toegestaan. En aan deze wet hebben ook agenten zich te houden. Een agent zonder pet had ik nog niet eerder gezien. De agenten op straat - die ook regelmatig in onze wijk surveilleerden – hadden altijd hun pet op. Deze agent zonder pet, was een stukje van zijn status kwijtgeraakt. De man zag er enigszins ontluisterd en sullig uit. De rode moet die de pet in zijn voorhoofd had achtergelaten versterkte dat beeld. De agent nam plaats in de nog lege bank vlak voor mij. Zijn platte pet met azuurblauwe band legde hij naast zich neer.


Het hoort tot de rituelen dat tijdens het hoogtepunt van de eucharistieviering - de consecratie - de aanwezigen niet blijven zitten, maar respectvol neerknielen op de daarvoor bestemde knielbanken. Toen de misdienaar de altaarbelletjes liet klingelen als prelude op dit belangrijke onderdeel van de mis, liet ik mij van de zitbank glijden en landde voorzichtig met mijn knieën op de harde knielplank. De agent voor mij deed hetzelfde. Nu kreeg ik de kans om een politie-uniform eens goed van dichtbij te bekijken. Dat was een buitenkansje, want als jongen probeerde je altijd zo ver mogelijk bij de ‘juten’ uit de buurt te blijven. Maar nu kon ik er zelfs een aanraken, als ik dat had gewild.
De agent droeg een korte, blauwzwarte jas met daaronder een azuurblauwe ballonbroek met een versterkt zitvlak en aan de zijkant van de broek een zwarte bies. Kennelijk behoorde de agent tot het korps van de rijkspolitie. Over de jas droeg hij een zwarte koppel, die nog betrekkelijk nieuw was, want hij verspreidde nog de geur van vers leer. Aan de rechterkant van de koppel hing een holster, eveneens van zwart leer, met een dienstpistool erin. Om te voorkomen dat de koppel onder het gewicht van het wapen zou afzakken, rustte hij in twee metalen haakjes die in de zijnaden van de jas waren vastgezet. De politieman droeg verder nog glimmende, zwarte kaplaarzen. De pet was aan de voorkant getooid met een embleem in de vorm van een ontploffende granaat.

Terwijl de priester de hostie omhoog hief begon de agent wat onrustig op de knielbank heen en weer te schuifelen alsof hij ergens last van had. Toen ook de kelk met wijn omhoog ging trok de agent zijn rechter knie op en zette zijn gelaarsde voet op de knielbank. Kennelijk had hij in deze houding het gemak gevonden wat hij zocht, want het geschuifel was over. Maar toch was de rust nog niet geheel weergekeerd, want ik zag nu dat de broek van de man bewoog. Het was alsof er op een pulserende wijze aan de voorkant aan de broek getrokken werd, waardoor het zitvlak van de rijbroek gespannen werd om even later weer te ontspannen. Ik overzag de gestalte van de politieman nog eens goed. De man zat er met gevouwen handen onbeweeglijk en devoot bij. Het was alleen die broek die met een zekere regelmaat bewoog.
Terwijl door de vertegenwoordiger van Christus de wijn werd getransformeerd in het bloed van de Verlosser, ging het bloed van de vertegenwoordiger van Hermandad zijn natuurlijke loop en is onstuimig gaan stromen, met als gevolg een opspelende mannelijkheid.

Sinds die vroege vroegmis is mijn kijk op politiemensen veranderd. In het uniform blijkt vaak een mens schuil te gaan.


- 5 -

De oorbiecht


In de banken in de buurt van de biechtstoel was ik aangeschoven bij een tiental andere biechtelingen die daar op hun beurt zaten te wachten en in stilte hun zonden aan het inventariseren waren. Na mij kwam vrouw Maier de kerk binnen. Vrouw Maier woonde een eind verderop bij ons in de straat en had zich in de buurt de bijnaam Kletsmeier verworven. Als een kloek maakte ze een paar schudbewegingen met haar achterste om zich naast mij op de bank te nestelen. Ik kwam enigszins in de verdrukking en voelde door mijn korte broek heen de warmte van haar volle dij.

De ene na de andere biechteling verdween met gebogen hoofd en schuldbewust, achter het gordijn van de biechtstoel om even later gelouterd weer tevoorschijn te komen. Elders in de kerk knielden ze dan in een bank neer om de door de biechtvader opgelegde penitentie te voldoen.
Telkens als er iemand naar binnen ging schoven de wachtenden in de banken door als pakjes sigaretten in een automaat. In mij kwam hetzelfde gevoel opzetten als in de wachtkamer van de tandarts zat. Naarmate ik dichter bij de biechtstoel kwam werd dat gevoel sterker. Gebeurde er nu maar iets waardoor ik niet naar binnen zou hoeven. Met een beetje geluk werd de pater nu weggeroepen om iemand die op sterven lag het heilig oliesel te gaan brengen. Waarom drong vrouw Maier nu niet voor; in de winkels in de buurt deed ze dat toch ook altijd? Terwijl ik allerlei scenario’s aan het bedenken was om maar niet dat hok in te hoeven, was ik aan het eind van bank aangekomen.
Toen er beweging kwam in het gordijn en mijn voorganger op het punt stond de biechtstoel te verlaten, stootte vrouw Maier mij aan en gebaarde dat ik nu aan de beurt was en een beetje moest opschieten. Mens, doe toch niet zo haastig, dacht ik. Schroomvallig ging ik naar binnen. Vrouw Maier zat nu het dichtst bij de biechtstoel. Het zware gordijn trok ik extra zorgvuldig achter mij dicht.
Ik knielde neer op het hardhouten bankje. Het compartiment van de biechteling was van die van de biechtvader gescheiden door een houten wand met een van traliewerk voorziene opening waardoorheen je met de biechtvader kon praten.
Nadat ik wat gewend was aan de schemerige, muffe atmosfeer in het hokje begon ik zacht fluisterend de standaard formule, die mij op school geleerd was, af te raffelen:
‘Vader, zegen mij, want ik heb gezondigd. Mijn laatste biecht is een maand geleden geweest, en ik heb de volgende zonden begaan.’
Door het traliewerk kon ik zien dat de priester met zijn gestrekte rechterhand een kruisteken maakte.
Hij boog zich naar mijn kant en met zijn oor naar de getraliede opening gekeerd zei hij zacht:
‘Zeg het maar.’
Met neergeslagen ogen ging hij zitten wachten op wat ik op te biechten zou hebben. Maar ik wist niet goed hoe te beginnen. Na voldoende moed verzameld te hebben fluisterde ik:


‘Ik heb twee keer stiekem koekjes uit de koektrommel gepakt, pater. En ik ben twee keer ongehoorzaam geweest. En ik heb ook een paar keer tegen mijn moeder gejokt, pater.’
Zo, dat was er uit...!
‘Hoe vaak?’ vroeg de pater. De stem klonk zowaar vriendelijk en het fluisteren had iets intiems.
‘Ik weet het niet precies, pater.’
‘Denk eens goed na. Was het twee keer? Drie keer? Of tien keer?’
Tien keer ...?! dacht ik. Zouden er wel eens jongens zijn die tien keer per maand tegen hun moeder jokken? Ik voelde me opgelucht toen ik me realiseerde dat het hooguit drie keer moet zijn geweest.
‘Drie keer, pater. Misschien vier keer, maar ik denk drie keer.’
‘Wat nog meer?’ Nu klonk de stem achter het traliewerk wat strenger.
Zoals ik bij het eten de lekkerste dingen altijd voor het laatst bewaarde waren nu, na de dagelijkse zonden, de hoofdzonden aan de beurt.
‘Ik heb ook nog een keer..., uh...’, ik voelde mijn hoofd rood worden, ‘…uh…, onkuis gedaan, pater.’
Ik sprak het woord vlug en onduidelijk uit in de hoop dat de pater het niet zou verstaan en zou denken dat het iets onbelangrijks was en er verder geen aandacht aan zou schenken. Bovendien doemde het angstbeeld op dat Vrouw Maier, die nu vlak bij de biechtstoel zat, zat mee te luisteren.
‘Alleen?’ vroeg de biechtvader.
Er ging een schok door me heen. De pater had het dus toch verstaan. De rapheid waarmee de hij reageerde deed vermoeden dat hij zelfs op dit onderwerp had zitten wachten, zo routinematig klonk het en gretig tegelijk. Mijn hersentjes draaiden op volle toeren. Wat zou de pater met alleen bedoelen? Zou hij willen weten of ik slechts onkuisheid had begaan? Als dat zo was dan zou de biechtvader het hele onderwerp gebagatelliseerd hebben. Zijn er dan nog erger dingen dan onkuisheid? Nee, dat bestaat niet. Het kon dus niet anders zijn dan dat hij wilde weten of ik alleen of samen met een ander de zonde begaan had.
‘Ja, pater, alleen.’
‘Hoe?’
Ja, de kapelaan wilde alles weten om straks een gepaste penitentie te kunnen opleggen. Over het antwoord op deze vraag moest ik weer even nadenken. Hoe zeg je dat nou zonder weer een zonde te bedrijven door hier in de kerk tegenover de plaatsbekleder van Jezus de dingen bij hun naam te noemen…? Hoe zeg je nou zoiets…?!
De pater begreep kennelijk met welk probleem ik worstelde en toen het antwoord op zijn vraag maar uitbleef, kwam hij met het verlossende woord door te vragen:
‘Tussen de beentjes?’
‘Ja, pater,’ zei ik opgelucht, verrast als ik was door de kiese woordkeus van de biechtvader.
‘Hoe vaak?’
Ik wist niet meer precies of ik in de afgelopen maand nou drie of vier keer met mijn piemeltje had gespeeld, dus ik giste maar wat:
‘Drie keer, pater.’
‘Welke zonden heb je verder nog begaan?’
‘Verder niets meer, pater,’ ik vond dat ik al heel wat had opgebiecht.
‘Als penitentie moet je drie Onzevaders, tien Weesgegroetjes bidden en de Oefening van Berouw.’
Na het uitspreken van dit vonnis maakte de biechtvader weer een kruisteken met de vlakke hand en sprak de woorden:
‘Ga heen en zondig niet meer!’


Van angst en spanning bevrijd zocht ik een lege bank op om op mijn blote knietjes de opgelegde taak te volbrengen. Na enkele Onzevaders en Weesgegroetjes was ik de tel kwijtgeraakt. Voor de zekerheid heb toen maar wat gebedjes meer gedaan. Want stel je voor dat je tekort zou komen…!

Nadat ik de penitentie – naar mijn gevoel ruimhartig - had volbracht verliet ik de kerk. Daarbij passeerde ik de bank waar vrouw Kletsmeier nog met haar taakstraf bezig was. Ik vroeg mij af wat ze allemaal zou hebben meegekregen van mijn zondebelijdenis. Zou ik me straks nog wel op straat kunnen vertonen zonder nagewezen te worden?


Die sombere gedachte werd snel verdreven door een gevoel van opluchting omdat nu, na de voltooiing van het biechtritueel, mijn zieltje weer zo blank was als een lelie. En in mijn achterhoofd echode de woorden van de biechtvader nog na: ‘tussen de beentjes’. Die woorden moest ik vooral goed onthouden…, voor de volgende keer…!

-o–0–o-


De illustraties zijn deels ontleend aan het RAN en deels afkomstig uit mijn privéarchief.

Wim Benda

REAGEER

Reactie 1:

Cees de Vos, 18-03-2012: Gelezen en genoten van het verhaal van Wim Benda over de St. Thomas à Villanova kerk aan de Graafseweg. Zo herkenbaar allemaal..! Ik herinner mij dat wij als jonge kinderen onder toezicht van onze oudere zus ook in die kerk de kerstkribbe elk jaar bewonderden. De aandacht trekkende man met de schroevendraaier; ik vermoed zo dat dit met het seksueel misbruik van minderjarige te maken heeft gehad? Mijn oudere zus vertelde eens dat ze na een biecht gesmoord gillend de biechtstoel uit is gerend ná het ‘verhoor’ door haar eerbiedwaardige biechtvader. Het betrof hier: “Tussen jonge meisjesbeentjes”. Moet extra prikkelend zijn geweest voor meneer-kapelaan. “Niets menselijks was/is hen vreemd” Ja toch..? Als ik het wel heb kreeg de petloze agent hier een erectie, of zijn dat slechte gedachte mijnerzijds? Het zij zo…! Tja, de kerkgang in onze kinderjaren…!

Reactie 2:

Geer Plönes, 06-04-2012: Prachtig verhaal, wat bij mij best nog wel vage herinneringen oproept.
Omstreeks 1939, toen 9 jaar oud, woonde ik in de Wolfskuilseweg 78, Officieel behoorde ik tot H. Hartparochie Krayenhofflaan, maar vervulde mijn kerkelijke verplichtingen altijd in de St. Thomas à Villanovakerk. Dit kwam in hoofdzaak door het feit dat veel van mijn vrienden in de buurt van deze kerk woonden.
Direct na de oorlog werd de wandelvereniging "De jonge Garde" DJG opgericht. Waarvan wij bijna allen lid waren. Ons clublokaal was op een bedompte zolder, vanaf de Floraweg, bovenaan rechts in de Palmstraat. Wij droegen de door onze ouders gemaakte blauwe uniformen. Wij hadden een aalmoezenier vanuit de parochie en mijn vader was bestuurslid. Verder weet ik mij niets meer te herinneren.
Toen ik 17 jaar werd, ben ik naar de Kajotters, afd. H. Hartparochie, gegaan. Op 20ste verjaardag werd ik als dienstplichtige bij de Luchtmacht ingedeeld en toen was voor mij het jeugdzijn voorbij.
Mijn vraag is nu: Weet iemand iets over de wandelvereniging DJG te herinneren?

Reactie 3:

Wim Benda, 09-04-2012: Naar aanleiding van de reacties van Cees de Vos en Geer Plönes – heren, bedankt daarvoor! – zou ik graag het volgende willen opmerken:

*  Met het stukje ‘De Oorbiecht’ heb ik geenszins een steentje willen bijdragen aan de hedendaagse hype over de onverkwikkelijkheden in de RK-kerk. Mijn eerste notities, waarop de anekdote gebaseerd is, stammen uit de jaren ‘70/’80. Dat na een lange broedperiode het ei juist nú is uitgekomen is slechts pure toeval.

*  Wat de agent in die vroege vroegmis bezielde heb ik n.m.m. niet te raden gelaten. Wat ik wél gedaan heb: ik heb geen woorden en formuleringen uit de ‘jongeren-taal’ willen bezigen.

*  Eind jaren ’40 ben ik ook nog een poosje bij de Kajotters (afd. Th. à Vilanova) geweest. Heb nog lang een, in rood en wit geëmailleerd, dasspeldje van de KAJ gehad. Is helaas na diverse verhuizingen niet meer te vinden. Op internet nog gezocht naar een afbeelding van het embleem, maar vooralsnog zonder resultaat. Als iemand een idee heeft waar zoiets te vinden is dan houd ik mij aanbevolen.

Reactie 4:

Jan van Ooijen, 16-05-2012: De herinnering die mij aan de parochiekerk Thomas á Villa Nova herinnert, buiten de wekelijks klim vanuit de Wolfkuul tegen het Schooldiekske op, is niet bepaald een van mijn beste. Hoe oud zal ik geweest zijn, een jaar of zeven, acht? Tijdens een van de vele katholieke rituelen zat ik, terwijl Dhr. Dikschei met het mannenkoor het "Tantum Ergo" eruit gooide, met een aantal vriendjes achter in de kerk verveeld te fluisteren en te giechelen; wat wil je op die leeftijd. "Præstet fides suppelementum........." jubelden Dikschei en zijn mannen, de organist trok daarbij het basregister nog eens extra open en plotsklaps explodeerde de wereld! Kapelaan van Bohemen was onder de dekmantel van het luidkeels gezongen lied achter ons op gedoken en had me een klets om m'n oren gegeven, een klets waardoor ik even de hemel voor een doedelzak aanzag en een aantal dagen met één oor niet goed heb kunnen horen en nu, zestig jaar later, hoor ik daar wéér niet veel mee: maar dat zal wel een andere reden hebben.
Na die klets om m'n oren ben ik qua fluisteren en giechelen in de kerk niet veel veranderd maar zorgde er voortaan wel voor dat ik achter in de kerk kon zitten met een pilaar van het koor in m'n rug zodat ik niet door pastoors of kapelaans met grote handen beslopen kon worden!

Reactie 5:

Corrie van der Pijll-Reichgelt, 13-08-2012: Beste Wim, Een fantstisch verhaal en zo was het! Ik wist ook niet wat te biechten en verzon dan maar wat b.v. uit de suikerpot gesnoept, trouwens dat was echt waar. In deze tijd niet te bedenken hoe wij als kinderen dachten en in zak en as konden zitten. Wat heb je weer leuk geschreven en dat herinnert mij aan jouw compliment over mijn Vaders Sierlijke R. Kan ik je nu voor bedanken en heb ik op onze familiereunie gememoreerd. Mocht je nog meer over zijn "onderwijzen" weten? Wij, tien kinderen houden ons aanbevolen. Wij woonden destijds in de Javastraat. Met groet, Corrie Reichgelt

Reactie 6:

Frans Savelkouls, 01-09-2012: Geachte redactie, recent heb ik een boek in eigen beheer uitgegeven over de parochie St.Thomas van Villanova. Voor de details verwijs ik u naar bijgaande tekst. Mijn verzoek is of deze tekst of een samenvatting ervan, in uw rubriek Boeken wilt plaatsen. Ook verzoek ik u vriendelijk een link naar de site www.villanovanijmegen op uw site te zetten.

Reactie 7:

Geer Melssen, 24-12-2012: Hallo Wim, ik heb ook op dat koortje gezongen, ik herinner me Toontje Peters en Harrie Vest. We oefende eens bij de dirigent thuis op de Muntweg.

Reactie 8:

Toon Peters, 02-01-2013: ik las de reaktie van Geert, en ontdekte mijn naam. Dat Toontje was ik! En bij Harrie Vest ging ik mee spelen in het Willemskwartier, ik dacht in de Pater van Meurstraat. Ik was daar verliefd op een meisje met mooie haren en ogen. Maar........"kalverliefde".
Wat mij overigens wel opvalt, is dat over het koor de naam van de dirigent Henk Kamps ontbreekt. Dat vind ik jammer! Hij nam mij af en toe mee naar een andere parochie om daar samen een huwelijksmis te zingen! Ik zat dan voor op de stang, en hij maar trappen op weg naar het Persinger kerkje. Op verzoek van de bruid!

REAGEER


terug naar gastredacties   

Reactiepagina
Reactie 9:

C.J.M. Kuster, 04-11-2014: Ondergetekende heeft eind jaren 1958/1961 met het St.Ceciliakoor uit Gendt en het Mariakoor uit Nijmegen de Kroningsmessa gezongen onder leiding van een Nijmeegse dirigent Kamps. Was dit soms de door u bedoelde dirigent in het leuke stuk proza?
Reactie 10:

Wim Benda, 06-11-2014: Toen ik het stukje over het Knapenkoortje van de Thomas à Villanova-kerk schreef kon ik mij met geen mogelijkheid de naam herinneren van de toenmalige dirigent. Maar nu u de naam Kamps noemt komt het betreffende laatje van mijn geheugen op een kiertje te staan. Daardoor kan ik nu met vrij grote stelligheid zeggen dat de naam van de dirigent inderdaad Kamps was.
Bedankt voor deze aanvulling.
Reactie 11:

Henny Fransen, 03-12-2014: Als aanvulling op de reacties van de heren Kuster en Benda kan ik nog toevoegen dat schoolmeester Antoon van Leeuwen in de jaren vijftig de dirigent van het mannen- en jongenskoor was. Dikschei was toen nog organist van de Villanovakerk, destijds onder de pastorale leiding van pastoor Arendse. Ik herinner mij dat we tijdens het jaarlijks Ceciliafeest in november samen met het mannenkoor bij Fluit bij Sint Teunismolen getracteerd werden op snert met pannenkoeken! Geweldig mooie tijd!
Reactie 12:

Gerard Damen, 07-10-2017: Jaren ben ik misdienaar geweest deze parochie. Ik herinner mij nog dat wij naar Konigswinter geweest zijn met de bus van Toonen. Eind jaren vijftig. De tandradbahn kan ik mij nog goed herinneren. Als geestelijk leider ging toen mee Pater Roozestraten.
Ook kan ik mij nog herinneren het dienen van de eerste H.mis van half zeven, en dan s,winters door de kou over de Graafsebrug.

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: