Nieuwe pagina 1

© copyright Tineke Beukering, Digitale bewerking; Henk Kersten/Stichting Noviomagus.nl

Toussaint Christiaan Canisius (Christ)

*Nijmegen, 21-10-1896
+Amersfoort, 21-07-1944
Vermeerstraat 26, Nijmegen.

Onderstaand verhaal is een voorpublicatie van het in 2010 te verschijnen boek van Bart Janssen, auteur van het in 2005 verschenen boek "De pijn die blijft" waarin verhalen van nabestaanden van de bombardementsslachtoffers van 22 februari 1944 zijn opgenomen. Zijn nieuwe boek zal gaan over "andere" oorlogsslachtoffers uit Nijmegen. Hun verhalen kwamen naar voren tijdens het onderzoek dat hij verrichtte voor zijn eerste publicatie en waren zó indrukwekkend, dat een vervolg op "De pijn die blijft" niet kon uitblijven. 

Binnenkort zal op deze website een speciale pagina geplaatst worden waarop Bart Janssen u oproept hem te helpen aan de ontbrekende puzzelstukjes voor zijn nieuwe boek, opdat de verhalen over de Nijmeegse oorlogsslachtoffers voor het nageslacht bewaard zullen blijven.

Reacties op het hieronder gepubliceerde verhaal van Tineke Beukering kunt u per email kwijt aan Henk Kersten van Stichting Noviomagus.nl en zullen onder dit artikel geplaatst worden.

Klik hier voor een fotoselectie uit het familiealbum van de families Toussaint, Pelser en Beukering

Christ Toussaint

Bron: Mevrouw C. Beukering-Toussaint uit Veldhoven (dochter).

Christ Toussaint, vijfde uit een gezin van elf kinderen, wilde na de lagere school priester worden. Zijn gymnasiale opleiding volgde hij intern in het Missiehuis St. Willibrordus in Uden. Gedurende deze jaren gaf hij blijk van een meer dan middelmatige aanleg, speciaal voor talen. In Teteringen begon hij zijn noviciaat, maar na een jaar trad hij uit en vertrok naar Duitsland. Na terugkomst in Nederland wilde hij verder gaan in de journalistiek, maar door zijn broze gezondheid, hij leed aan TBC, moest hij het rustiger aan doen. Hij heeft vervolgens tot zijn overlijden gewerkt bij de Eerste Rooms Katholieke Levensverzekering Maatschappij (E.R.K.), waar hij vele jaren gewerkt heeft als afdelingschef op de administratie. In zijn vrije tijd was hij een verwoed amateur-fotograaf.
Hij leerde Tonny Pelser kennen en ze trouwden in 1929 in de Petrus Canisiuskerk aan de Molenstraat. In 1932 werd hun dochtertje Tineke geboren. Het gezin woonde de eerste jaren in de Heijdenrijckstraat en verhuisde vervolgens naar Frans Halsstraat 4 en Vermeerstraat 26. Tineke was twaalf jaar toen haar vader werd omgebracht.

 

"De verhuizing naar de Vermeerstraat kan ik me nog goed herinneren. Ik was zes jaar en met mijn supermooie poppenwagen heb ik nog meegeholpen om spulletjes over te brengen naar ons nieuwe huis. Onze prachtige grote tuin met veel fruitbomen was een groot en heerlijk speelparadijs, maar de kloostertuin van het studiehuis van de paters Franciscanen lokte mij ook. Met zijn vele struiken was deze tuin een ideale plaats om met mijn vriendinnetjes verstoppertje te spelen. Helaas ging er dan vaak een raam open en dan bulderde de stem van professor Pompen, die vermoedelijk in zijn studie gestoord werd, dat wij ergens anders moesten gaan spelen.

 

Toen op 10 mei 1940 de oorlog uitbrak, was ik onder de indruk van het lawaai van al die vliegtuigen in de lucht. Ik stond tussen de bewoners van de Vermeerstraat en nóg kan ik me het gegons herinneren van de stemmen die steeds maar herhaalden: "Het is begonnen, het is begonnen, het is begonnen..."
Op de lagere school in de Dominicanenstraat moesten we bij luchtalarm onder de bankjes gaan zitten en dat moest regelmatig geoefend worden. Als we 's nachts luchtalarm kregen, bleven we gewoon in bed. Mijn ouders waren niet bang uitgevallen.
Het gebeurde steeds vaker dat mijn moeder tegen mij zei dat we alvast gingen eten omdat mijn vader moest overwerken. Het werd voor mij geheim gehouden dat die activiteiten het begin waren van zijn verzetswerk. Na kantoortijd schreef hij verboden artikelen. Als hij daarmee klaar was, moesten ze gestencild en geniet worden en vervolgens bracht hij ze rond.

Ik had een heel goede band met mijn vader. We hebben veel samen gedaan. Ook wandelden we veel in het Hunnerpark, Kronenburgerpark, Bos van Dommer en door de benedenstad. Mijn vader was lid van de St. Vincentiusvereniging en ik mocht vaak met hem mee mensen bezoeken die in arme buurten woonden. Mijn moeder maakte rond kerstmis pakketten die we samen wegbrachten. Kinderen kregen altijd iets van speelgoed en dat mocht ik dan geven. Voorwaarde was wel dat ik dan ook een speeltje van mijzelf moest geven. Als enig kind was dat niet zo moeilijk. Ik hoefde mijn speelgoed niet te delen met broers of zussen.

Mijn ouders en ik waren echte boekenwurmen. Mijn vader, die veel connecties had met de Franciscanen van het studiehuis uit onze straat, mocht bij hoge uitzondering studieboeken lenen uit hun bibliotheek en ik kreeg mijn boeken altijd cadeau met verjaardag en sinterklaas.
De dagelijkse gang met mijn vader naar de vroege H. Mis in de St. Stephanuskerk aan de Berg en Dalseweg was voor mij een uitje. Wegens de verduistering hadden wij een knijpkatje met drie verschillende lampjes, rood, wit en blauw en ik vond het prachtig om met dat ding voor ons uit te schijnen. Het stilzitten in de kerk nam ik voor lief, ook op zondag als mijn vader daar op het zangkoor zong.

Gedurende de oorlogsjaren heeft mijn moeder een zware tijd gehad. Mijn vader moest bijna elke winter een tijdje kuren voor zijn longen. Hij moest daarvoor op een koude kamer liggen. Voor mijn moeder was het dan steeds trap op, trap af om de collega's van mijn vader, die op bezoek kwamen, van koffie en thee te voorzien. In die tijd wilde mijn vader graag de H. Communie op bed hebben. Pater Perquin van de Maria Geboortekerk, onze eigenlijke parochiekerk, kwam tweemaal per week de communie brengen. Mijn moeder maakte dan een soort altaartje. Een tafel met een wit geborduurd kleed er overheen, een palmtakje met wijwater en een kruisbeeld. Dat tafeltje werd vlakbij het bed gezet. Voor mij was dan ook een taak weggelegd. In alle vroegte, voordat ik naar school ging, moest ik bij de voordeur gaan staan. Als ik de priester hoorde aankomen, en later bij zijn vertrek, moest ik knielend op de kokosmat de deur openen. Ik moest ook altijd knielen als pater Lucas op bezoek kwam. Hij was een vroegere studievriend van mijn vader en hij is later monseigneur in Zuid-Afrika geworden. Als ik dan de zegen en een kruisje op mijn voorhoofd kreeg, keken zijn doordringende ogen me aan alsof ik het ergste kwaad van de wereld had gedaan en dat terwijl ik voor gedrag, vlijt, beleefdheid en orde altijd alleen maar negens op mijn rapport had.

Omdat mijn vader altijd met zijn longen getobd heeft, moesten mijn moeder en ik elk halfjaar worden doorgelicht door dr. Wijnands in de Sloetstraat. Daar werden na verloop van tijd ook bij mij vlekjes op de longen geconstateerd en ik kreeg extra voedselbonnen voorgeschreven. Honger hebben we dus niet geleden, maar ik was vaak ziek en had dan grote moeite om mijn eten binnen te houden. Mijn ouders hebben met mij heel wat bezoekjes aan dokter Peljak, de kinderarts op de Kronenburgersingel, gebracht.

Op 19 mei 1943 was opa Pelser, de vader van mijn moeder, overleden. Hij woonde met oma boven zijn meubelmakerij op Mariënburg 75. Om de eenzaamheid van mijn oma een beetje te verlichten, ging ik tussen de middag vaak bij haar mijn boterhammen opeten. Op 22 februari 1944 zat ik weer bij haar. Daar maakte ik het bombardement mee. Meteen na het vallen van de eerste bommen ben ik met mijn oma het trappenhuis afgegaan, maar oma liep niet zo snel en ik voelde het trappenhuis schudden. In mijn doodsangst heb ik halverwege het trappenhuis het glas-in-loodraam geopend en naar buiten gekeken. Wat ik zag was vreselijk. Gitzwarte en grijze wolken rolden over het plein in de richting van de Van Welderenstraat. Ik zag gillende mensen voorbijkomen en ik zag ook mensen op straat liggen. Ondanks het schudden van de trappen zijn we toch veilig beneden gekomen. Even later stond mijn vader voor de deur. De binnenstad van Nijmegen was verwoest en de gevolgen zouden jarenlang merkbaar blijven.

En hoewel het bombardement het leven in de stad volledig ontwrichtte, bleef mijn vader actief in het verzet. Tot 29 juni 1944, het feest van Petrus en Paulus... Die emotionele nacht vergeet ik nooit meer. Rond middernacht werden wij opgeschrikt door een aanhoudend bellen. Mijn vader werd opgehaald. Terwijl hij zich aankleedde, werd er huiszoeking gedaan. Dat ging met veel lawaai gepaard. Ik herinner me dat ik de mannen in onze keuken in de messenbak hoorde rammelen. Dat vond ik eng, want ik wist dat er een Indische dolk in lag die mijn ouders in bewaring hadden van de zoon van de familie van Geuns die twee huizen verder woonde. Deze dolk, die onder verboden wapenbezit viel, gebruikte mijn moeder als broodmes. Ze hebben hem niet meegenomen.

Daarna volgde het afscheid nemen. Het verdriet van dat moment kan ik niet beschrijven. Mijn vader laatste woorden "ik kom gauw weer terug" leken even uit te komen. Op de hoek van de straat merkte hij dat hij zijn sigaretten was vergeten en hij mocht ze even gaan halen, alleen.
Toch durfde hij niet te vluchten, want dan zou hij waarschijnlijk zijn neergeschoten door de Duitsers die overal op wacht stonden. De Heijdenrijckstraat, Vermeerstraat, Rembrandtstraat en Mesdagstraat stond vol overvalwagens. Buurman Geuns en de heren Linssen en Rodriguez uit de Tooropstraat zijn dezelfde nacht opgepakt. De volgende dag ontdekte mijn moeder dat de Duitsers zelfs een kalendertje hadden meegenomen. Het was een Oranjehuiskalendertje met de kleine prinsesjes. Op de laatste bladzijde was er plaats voor een notitie en daar had mijn moeder opgeschreven: "Leve het Huis van Oranje".

De dagen en weken daarna werden tijden van onrust, spanning en angst. Niemand kon ons vertellen waar mijn vader naar toe was gebracht. Wij wisten dat iedere dag, die verstreek zonder iets te vernemen, een dag dichter bij de dood kon betekenen. Voor mijn moeder moet dit een ondragelijke tijd zijn geweest. Toch hield zij zich erg flink, ook tegenover mij. Ook ik heb deze spanning gevoeld, maar een kind ervaart dit toch op een heel andere wijze. Een kind staat nog aan het begin van het leven en al spelenderwijze gaat dat leven verder.

In juli werd ons door iemand een briefje doorgespeeld. Het was een briefje van mijn vader, dat uit de gevangenis was gesmokkeld. Hij schreef ons:

Arnhem, 1 Juli 1944 

Liefste Tonny en Tineke,

Als no 154 van de strafgevangenis te Arnhem, de bekende koepel, schrijf ik je dezen brief. Ben jij en Tineke al bekomen van de schrik? Ik zal je in het kort verhalen wat er met mij gepasseerd is sedert die nacht. Ik werd op het politiebureau eerst in een cel gestopt en kon gaan liggen op een harde brits. Het regende erg en het raampje was kapot, zodat de regen op mijn gezicht viel. Om 7 uur moest ik me met een goor stelletje jongens gaan wasschen, daarna heb ik nog een paar uren loopen te ijsbeeren in mijn cel. De 4 sneedjes brood kon ik niet wegkrijgen. At er maar twee op. Om 9 uur zouden wij naar Arnhem vervoerd worden, moesten hiervoor in een klein kamertje wachten maar we gingen eerst om kwart over twee onder politiegeleide naar het station. In Arnhem hebben we verschillende uren in het gebouw sicherheitzdienst doorgebracht maar dat kan soms lang duren zeggen ze hier, maar tot een verhoor van mij is het niet meer gekomen. Ik hoop nu maar Maandag. Om 8 uur werden we vervoerd naar de strafgevangenis. De homp brood met een kroes frisch water smaakte me al beter. Ik slaap nogal goed. Vanmorgen werden we gelucht. Toen kreeg ik het een paar malen te kwaad. Voor het overige buig ik me onder Gods Heilige wil. Hij weet, waarom Hij deze grote beproeving over me liet komen. Ik ben me van geen enkel kwaad bewust, noch van een of andere handeling tegen de Duitsche overheid. Kan Jo er niet voor zorgen dat de zaak spoedig wordt afgehandeld?
Zeg Tonny, ga naar het convict en bestel bij pater Gardiaan een H. Mis ter ere van God den Heiligen Geest, een votiefmis als het kan en betaal hem hiervoor f 5 gulden.

Lieve Tineke, wees echt lief voor mammie opdat pappie weer spoedig thuis moge komen. Ik troost me dat het licht van Gods Gelaat ook in deze kleine cel over me schijnt en dat de H. Geest de Vertrooster in mij woont'

Lieve Tonny en Tineke, ik heb een groot verlangen naar jullie en geweldig heimwee naar huis. Moge we spoedig weer vereend zijn. Zoek afleiding. In den geest omhels ik jullie beidjes innig. Groeten aan de familie. Dag en kop op!!

Je liefhebbende man en vader

Christ

Na enige tijd kregen we wéér een briefje. Ditmaal ongedateerd:
Liefste Tonny en Tineke

Ik ben vandaag voor het laatst verhoord. Het protocol is opgemaakt. Ik wacht nu mijn "straf" af. Misschien Vught? Ik heb me vandaag goed gehouden. Ik ben niet mishandeld. Ik heb gelukkig niemand verraden. Doe nooit iets wat tegen de bezetting is. Bewaar nooit iets in huis.
Groeten aan Tineke, hoe maakt de kleine schat het? En jij, ben je flink? Tanden op elkaar. Ik zal blij zijn als ik jullie weer zie. Wat een genot zal dat zijn weer te kunnen gaan en staan, weer de blauwe hemel te zien. Jullie weer om me heen te hebben, me weer eens behoorlijk te kunnen wasschen. Geen nummer meer te zijn. Het eten is 's middags voldoende. Verder 's morgens 2 sneeden brood (droog) en 's avonds en dan heb je het gehad. Vetter zal ik niet worden maar ik voel me wel goed.
Morgenvroeg komt de gevangenisdokter weer en die zal dan moeite doen dat ik het iets beter krijg door me b. v. naar het huis van bewaring te doen sturen. Maar afwachten.

Dag Tonny, ik denk veel aan je. Als ik weer thuis ben beginnen we weer met de
wittebroodsweken. Houd je goed, ik doe het ook. Denk maar, er zijn momenteel duizende Nederlandsche vrouwen wier mannen weg zijn.
Van Geuns zit in het huis van bewaring. Ik heb hem nog niet gezien. Die kans was trouwens gering want de menschen uit de strafgevangenis en het huis van bewaring bij verhoor alleen maar een kansje hebben om bij elkaar in één cel te komen in het gebouw van de sicherheitzdienst.
Heeft Jo nog stappen gedaan ?

Nu Tonny, tot spoedig ziens. Bidden we voor elkaar. Draag je verdriet met een geloovig hart. Kus Tineke van me. 

Zelf hartelijk omhelsd van je man 

Christ.

Scheur dit briefje kapot!!

Uit de paparassen, die bewaard zijn gebleven, blijkt dat mijn moeder alle mogelijke moeite heeft gedaan om informatie binnen te krijgen. Van mensen uit de "ondergrondse" hoorde ze ook wel eens wat, maar het waren allemaal veronderstellingen. Op 27 juli 1944 stopte een auto van "Van Gend en Loos" voor de deur. Er werd een pakket afgegeven. Het waren de kleren van mijn vader. Dagen van vertwijfeling volgden. Op 3 augustus 1944 schreef mijn moeder aan de directeur van het Nederlandse Rode Kruis in Den Haag:
Weled. Gestr. Heer,

Gaarne wilde ik Uwe bemiddeling inroepen voor het volgende;

Mijn man C.C. Toussaint, wonende Vermeerstraat 26 alhier, werd op 30 Juni 1944 uit zijn huis opgehaald door de politieke recherche. Na een verblijf van 11 dagen in de Strafgevangenis te Arnhem, vanwaar ik een brief heb ontvangen, werd hij op 11 Juli overgebracht naar Amersfoort.
Op 27 Juli j.l. werd bij mij thuisbezorgd door "Van Gend en Loos" een pakket, inhoudende verschillende kledingstukken van mijn man, afkomstig uit Amersfoort, waaronder zijn regenjas, hoed, pijama, ondergoed enz. zonder enig begeleidend schrijven. Wat moet ik hiervan denken ? Is hij nog in Amersfoort of naar elders vertrokken, of is hij niet meer in leven.

Mijn grote vrees is nu deze;

Men zegt dat mijn man en nog enkele andere Nijmegenaren zouden gefusilleerd zijn als represaille op de moord op 7 Juli j.l. in Nijmegen gepleegd op een lid van de bezettende macht. In de Gelderse Courant van 21 Juli j.l. (een in Nijmegen verschijnend Dagblad) stond; dat wegens den arglistigen moord en moordaanslagen op 6 en 7 Juli 1944 te Nijmegen, een aantal gearresteerde terroristen en saboteurs standrechtelijk is doodgeschoten.
Kunt U mij nu niet uit deze doodelijke onzekerheid helpen ?
Het nummer van de kledingstukken was Nr. 2584.
Als echtgenoote meen ik toch wel het recht te hebben, te weten wat er met mijn man gebeurd is.

In afwachting van zeer spoedige berichten Uwerzijds,

Hoogachtend,

T.Toussaint-Pelser Vermeerstraat 26 Nijmegen

In Nijmegen ging het gerucht dat een jongen een Duitser had doodgeschoten, die in een park met een Nederlands meisje zat te vrijen en dat daarom als "strafmaatregel" de laatste vijf of zes personen, die in kamp Amersfoort waren aangekomen, gefusilleerd zouden zijn. Maar mijn moeder bleef hopen, tot uiteindelijk zwart op wit werd bevestigd dat mijn vader was omgebracht. Na een zeer gelukkig huwelijk van 15 jaar verloor mijn moeder op 38-jarige leeftijd haar man en ik op 12-jarige leeftijd mijn vader.

Nadat mijn moeder mijn school had ingelicht, ben ik zelf naar mijn klassenzuster, zr. Regina, gegaan om het haar te vertellen en hoewel deze zuster niet bekend stond als een lieve zuster, was ze buitengewoon lief voor mij. Ze pakte mijn hand in de hare en drukte die onder haar plastron op haar hart. Samen hebben we daarna in de kloostertuin van de Dominicanessen gewandeld. Dit lieve gebaar is me altijd bijgebleven, maar van het gesprek zelf kan ik me niets meer herinneren. 

De zomer van 1944 was intens droevig door het gemis van mijn vader en door het feit dat wij niets wisten van de omstandigheden waaronder hij was omgebracht. Op 17 september 1944 begon de bevrijding van Nijmegen en er brak een moeilijke tijd aan. Granaten vlogen over en weer en familieleden van ons, die in de Rembrandtstraat woonde, vroegen mijn moeder met mij bij hen te komen wonen. Bij dit gezin met zeven kinderen woonden ook een oma en een tante in. Uitgerekend in die periode werd ik heel erg ziek met hoge koorts. Vanuit mijn slaapkamerraam zag ik de Amerikanen met het geweer in de hand langs de voortuintjes sluipen. Als de granaten fluitend overkwamen, vluchtte iedereen de kelder in. Ik lag in bed en als we zo'n granaat hoorden, wierp mijn moeder zich over me heen om mij te beschermen. Tot er voor mij een houten tuinbank naar de kelder werd gebracht. Vanaf die tijd heb ik met mijn jas over de pyjama op die bank gelegen. Huisartsen waren vrijwel onbereikbaar en toen ik steeds zieker werd, is mijn moeder op straat gaan zoeken. Dr.Lagerwerf, een vrouwenarts kwam voorbij en heeft mij onderzocht. Hij constateerde longontsteking en pleuritis. Penicilline was er nog niet en omdat ik niets kon eten, kreeg ik rauwe eieren met cognac voorgeschreven. De zogenaamde negendaagse crisis, zoals die toen genoemd werd, is voor mijn moeder een hel geweest, omdat zij óók nog haar enige kind dreigde te verliezen.
Op een rustige dag besloot mijn moeder even naar ons huis te gaan kijken. Huilend kwam ze terug. Er was een voltreffer in onze voortuin gevallen en de hele voorgevel was weggeslagen. Met haar schoonzus heeft ze toen kleding en de fotoalbums van mijn vader weggehaald.
Meer dan een jaar hebben we in de Rembrandstraat gewoond.

Op 1 april 1945 kwam mijn moeder ter ore dat ene pater Smackers uit Geleen in dezelfde periode als mijn vader in Amersfoort gevangen had gezeten. Ze schreef hem dezelfde dag. De brief bereikte hem op 30 april 1945. Hij antwoordde meteen:

Geachte Mevr. Toussaint.

Naar aanleiding van Uw brief van 1 April, moet ik U vooreerst mededeelen dat ik Uw schrijven eerst vandaag ontving. Ik heb me dan ook gehaast om het onmiddellijk te beantwoorden, aangezien ik me zo levendig de buitengewoon moeilijke omstandigheden kan voorstellen, waarin U op het ogenblik verkeert.

Zeer tot mijn spijt kan ik U niet volledig over het gevraagde inlichten, maar ik wil U alles vertellen wat ik me van deze uiterst treurige en pijnlijke aangelegenheid herinner.
Omstreeks half Juli (ik meen dat het Maandag 17 Juli was, maar dat weet ik niet met zekerheid, het kan ook enkele dagen eer geweest zijn, in alle geval niet later) kwam in Amersfoort een transport uit Arnhem aan. Onder deze was ook Uw man, die onmiddellijk in de ziekenafdeling werd opgenomen. Daar maakte ik de volgende morgen reeds kennis met hem. Hij was zeer verheugd dat hij dagelijks op clandestiene wijze de H. Communie kon ontvangen. Hij zou ook nog enige andere Nijmegenaren, die met hem uit Arnhem overgebracht waren en graag eens met een priester spreken en eventueel de H. Sacramenten ontvangen, naar me toesturen. Dit gebeurde in werkelijkheid en zoo ontmoette ik Uw man en naar ik meen,ook dhr. van Geuns.
Ze waren allemaal, naar omstandigheden natuurlijk, nogal opgeruimd en tevreden. Dat hun gedachten steeds verlangend en tevens bezorgd naar huis uitgingen, hoef ik U, geachte Mevrouw, zeer zeker niet te vertellen. Als mijn geheugen mij niet bedriegt, heb ik Donderdagmiddag, 20 Juli, Uw echtgenoot voor het laatst gesproken, biecht gehoord en de H.Communie gegeven. Dagelijks heb ik Uw man de H. Communie gebracht
Vrijdag, 23 Juli was de interne kampleiding, die zoals U weet, uit gevangenen bestond, weer eens in de grootste onrust. Men had weer eens een zestal nummers, nu alle van Nijmegenaren, uitgeroepen en deze heren onmiddellijk van allen afgezonderd en in de bunker opgesloten. In de middaguren werd hen daar het vreselijke doodvonnis voorgelezen. Enkele uren later werden ze naar de Leusderheide gebracht en daar is toen het onherstelbare gebeurd door hun terechtstelling.
Het was mij niet meer mogelijk geweest, om tot hen door te dringen, hoe graag ik het ook gedaan had en welke pogingen ik er ook voor in het werk stelde. Men vertelde mij dat de gevangenen wél zéér onder de indruk waren, maar van de andere kant toch ook zéér kalm en vastbesloten. De namen van de andere Nijmegenaren herinner ik me niet meer.
Zelf werd ik 24 Juli uit het kamp ontslagen. Zeker weet ik alleen, dat ik in dien tussentijd dhr. van Geuns niet meer gesproken heb.
Bij mijn vertrek waren we met 3700 gevangenen in het kamp, terwijl ik ongeveer 7000 gevangenen bovendien heb zien komen en gaan, en dat in 4 maanden tijds. Het is dus niet te verwonderen als men sommige namen niet meer kent. Zeer tot mijn grote spijt moet ik dan ook mededeelen dat ik me dhr. Rodriques niet herinner.
Nog diezelfde Vrijdag zijn de namen van al deze zes heren naar buiten doorgegeven en ik verkeerde dan ook bij mijn ontslag uit het kamp in de stellige overtuiging, dat U van de geheele ramp op de hoogte zou zijn. Daarom heb ik ook niet de minste poging in het werk gesteld, het adres van U en de lotgenoten te achterhalen. Had ik ook maar het minste vermoeden gehad van de pijnlijke situatie, waarin U verkeerde, ik zou onmiddellijk geprobeerd hebben, U over een en ander in te lichten. Het zal wel overbodig zijn, Mevrouw nog de verzekering te moeten geven van mijn oprechte deelneming in de ernstige omstandigheden, die U getroffen hebben. 
Zaterdag 22 Juli heb ik clandestien in het kamp een H. Mis gelezen voor de overledenen en ook voor hun nabestaanden. Sedert dien heb ik hen nog dikwijls in het H. Offer herdacht. Ik zal dit blijven doen, ook voor U en Uw lotgenoten, opdat God U de kracht moge geven dit zonder twijfel zeer zware offer met Christeijke onderwerping te dragen. Moge Hij, de Heer van Leven en Dood, steeds Uw ware trooster zijn.
U weet natuurlijk dat de Duitsers deze moord gemotiveerd hebben met het praatje; In Nijmegen werden aanslagen gepleegd, daarom "wurden 6 bereitseinhaftierte Terroristen standrechtlich erschossen."

Met gevoelens van oprechte hoogachting, verblijf ik van U, Mevrouw, 

de dw. in X (onleesbaar) J.

w.g.P. Arn. Smackers O.C.D.

Rector Verhoeven van de Sint Stephanuskerk aan de Berg en Dalseweg, biechtvader en beste vriend van mijn vader, maakte een concept voor het bidprentje voor mijn vader. De tekst begon met een citaat uit de laatste brief die hij van mijn vader ontving: "Het leven is hier erg zwaar. Ik voel me met Christus aan het kruis geslagen, maar daarom weet ik God dicht bij mij. Veel verdriet heb ik om mijn vrouw en Tineke. Zeg hun, dat er geen haat in mij leeft tegen hen, die mij dit aandoen". Op 10 juni 1945 schreef hij mijn moeder:
Zeer Geachte Mevr. Toussaint,

Hierbij zend ik U een proeve voor het bidprentje voor Uw man.
Legt U het gerust naast U neer als het U niet bevalt. Ik meende wel enig souvenier van hem te moeten geven omdat de brief aan U en de brief aan mij gericht het laatste is geweest wat wij van hem hoorden.
Ik moet U eerlijk opbiechten dat ik toen niet alles heb verteld wat er in die brief stond,
omdat dit voor U misschien extra zorgen zou betekenen.
Nu staan de zaken evenwel anders en kan het een troost voor U zijn precies te weten hoe Uw man heeft geschreven. De brief zelf heb ik op zijn uitdrukkelijk verzoek vernietigd maar de voornaamste zinnen hebben zeer veel indruk op mij gemaakt en ken ik nog letterlijk van buiten. Daarom mag ik ze hier ook aanhalen.
U kunt ervan overtuigd zijn, dat Uw man gelukkig is en zijn gebed werd verhoord, n.l. om NIET voor het lijden te worden gespaard om daardoor meer vooruit te gaan in de liefde van O. L. Heer.
Zijn grootste zorg daarbij was zijn vrouw en zijn dochtertje maar hij was er van overtuigd dat God hen ook zou bijstaan.
U moet niet denken dat hij onvoorbereid is gestorven. Zijn brief aan mij was vol van een soort voorgevoel nooit meer thuis te zullen komen. Dat betekende voor hem een enorm offer, maar hij heeft dit offer gebracht omdat hij wist, zoals zijn brief getuigde, dat God Liefde is.
Ik schrijf U dit nu omdat het voor U belangrijk is om te weten hoe ..... (onleesbaar) en hoe hij dus nu de belooning zal ontvangen van zijn offerbereidheid.
U bent niet zo ver van elkander. In O. L. Heer kunt U elkaar weer ontmoeten en veel voor elkaar doen. U zult zich er over verwonderen hoe het mogelijk is, dat u nog KUNT leven, een bewijs dat God U toch helpt en steeds meer zal helpen naar gelang U zich kunt inleven in de geest waarin Uw man zijn offer bracht.
Ik begrijp volkomen hoe ontzettend moeilijk het voor U is en hoop daarom van harte dat God U heel bijzonder zal helpen.
Gaarne zal ik hem in mijn gebeden herdenken, maar ook wil ik graag nog eens voor U bidden, opdat God U veel kracht zal geven om dit grote leed te kunnen dragen.

Met vriendelijke groeten, ook aan Tineke van

Rector Verhoeven

PS U kunt ook gerust een en ander veranderen als U dat wilt.
Naast de grote zorg om mij was mijn moeder ook dagelijks op zoek naar meer personen of instanties die haar nog iets konden vertellen over de laatste levensdagen van mijn vader. Zo schreef ze ook naar de Koninklijke Marechaussee. Een zekere heer Chr. Wilkes van deze instantie, groep Smallingerland post Drachten, schreef haar op 7 juli 1945:
Geachte Mevrouw,

Gisteren kwam ik in het bezit van Uw brief waarin U mij verzocht om inlichtingen aangaande Uw man, die verleden jaar Juli in Amersfoort werd gefusilleerd.
Heel toevallig was mijn vader, die momenteel in Drachten bij mij logeert in het bezit van enkele nummers en namen van destijds vermoorde Nederlanders, welke gevangen zaten in het P.D.A. te Amersfoort.
Inderdaad komt ook, tusschen de vele andere namen en nummers, die van Uw man voor. Ik herinner mij deze toestand in Juli 1944 als de dag van gisteren.

De Nijmegenaren werden "uitgeroepen", d.w.z. hun nummers werden afgeroepen en moesten zij zich onmiddellijk omkleden. Daarna gingen zij de bunker in, die gedeeltelijk met water was gevuld en waar zij niet rechtop konden instaan.
Ik wist reeds wat er ging gebeuren. Het was vreselijk wat hen te wachten stond. Gelukkig maar dat zij het niet wisten, alhoewel hun vermoedens verder gingen dan dat ik dacht.
Contact met hen was voor mij niet meer mogelijk. In den avond van dien dag werd een vrachtwagen uit de garage gereden en kwamen zij fier en zonder te dralen en de koppen op uit de bunker, als ik mij niet vergis, zetten enkele hunner een juten zak met chloorkalk op aanwijzing van de bewakers in de vrachtauto, waarna zij zelf plaats namen in de vrachtauto.
Nadat een sterke bewaking, achter in de auto had plaats genomen, verdween de auto het kamp uit, ik wist dat het richting Leusderheide ging. Ook de commandant, Untersturmführer BERG, die al deze moorden op zijn geweten heeft, ging met Oberscharführer KOTTELLA en Oberscharführer Westerveld (eerstgenoemde was een Pool), terwijl de laatste, voordat hij dienst nam bij de Sicherheitsdienst, Nederlandsch onderdaan was, in een luxe wagen achter de vrachtwagen aan.
Na verloop van een uur keerden allen terug. In dat uur heeft de moordpartij zich afgespeeld. De Nijmegenaren zijn, na ik later heb kunnen te weten komen, in het licht van de koplampen, die zich op de vrachtauto bevonden, doodgeschoten, na eerst een gat te hebben gegraven. Vermoedelijk zijn de jassen, die zij droegen, van achteren over het hoofd getrokken, zoodat zij niets konden zien.
Mede aan deze moordpartij was schuldig een Oberscharführer, wiens naam ik niet weet, doch de bijnaam van de "PUKKEL" droeg in het kamp. De kleding van de Nijmegenaren heb ik gezien, toen zij heimelijk in diverse verpakkingsmiddelen het kamp weer werden ingebracht, teneinde naar de achter gebleven familieleden in Nijmegen te worden teruggezonden.
De lijken zijn niet, zoals de Heer Mulder beweert, gecremeerd, doch op de Leusderheide bij elkander begraven.
Dienzelfden week, werden er wederom 8 Rotterdammers op dezelfde plaats doodgeschoten, zoodat vermoedelijk dit graf van 14 mannen één van die graven zijn kan, dat door Berg, volgens mededeeling in de Courant, is aangewezen.
De Nijmegenaren waren nog niet eens lang in het P.D.A. toen zij werden vermoord.
Dien week was het kamp ook in diepe rouw gedompeld, en werd door mij alle vermakelijkheden verboden.
Mijn mening van deze affaire is, dat de Nijmegenaren uit represaille zijn doodgeschoten.
Ik condoleer U dan alsnog bij dezen met het grote verlies, dat U te beurt gevallen is, moge God U kracht en het geloof geven, dat hij Uw man in zijn vaderhuis heeft opgenomen.

Hieronder volgen verder de namen van degenen, die gelijk met Uw man werden doodgeschoten en ook bij Uw man op de Leusterheide begraven zijn:

2561 E.G.v. Geuns geb. 28-2 89 te Soerabaya
2562 H. Linssen geb. 17-7-88 te Nijmegen
2563 P.L. Tregtel geb. 9-8-77 te Rotterdam
2564 A. Wagter geb. 17-1-07 te Groningen
2565 T.A.v. Eldert geb. 31-10-94 Amsterdam 
2567 P. Span geb. 14-10-08 Nijmegen
2584 Chr.C. Toussaint geb. 21-10-96 Nijmegen
2585 T.M. Rodrigues geb. 5-3-1900 Paramaribo 

Vertrouwende, U met vorenstaande van dienst te zijn geweest, verblijf ik inmiddels 

Hoogachtend, 

w.g. Chr.Wilkes

De lichamen werden inderdaad op de Leusderheide gevonden. Op 25 september 1945 werd mijn moeder in Amersfoort uitgenodigd bij de militaire commissaris van het Militair Gezag in Oost Nederland. Ze moest daar ten overstaan van een rechercheur verklaren uit het signalement en de bij het stoffelijk overschot nr. 136 behorende voorwerpen haar man te hebben herkend. Daarna werd het lichaam vrijgegeven. Op 31 oktober 1945 vond in de Maria Geboortekerk aan het Mariaplein de uitvaartmis voor de vier slachtoffers plaats. Na deze plechtigheid zijn zij op de begraafplaats aan de Daalseweg naast elkaar begraven.

Ik heb het altijd jammer gevonden dat de stoffelijke resten in 1971, bij de ingebruikname van de begraafplaats Vredehof, zijn overgebracht naar het aangrenzende ereveld in een vergeten hoek op deze begraafplaats.

Na mijn herstel in 1944 was ik weer naar school gegaan. Mijn moeder had haar keuze laten vallen op Mater Deï, hoewel haar financiële situatie beslist niet rooskleurig was. Het pensioen van mijn vader was niet groot. Ik herinner me nog de dag dat het pensioenfonds was ingegaan, want toen kwam mijn vader thuis met de woorden: "Ik kan nu rustig dood gaan, het is er door!". Met veel respect denk ik nog altijd aan mijn moeder die, om mij te laten studeren, letterlijk droog brood heeft gegeten. Ik had in die tijd twee jurken. Een was een vermaakte jurk van mijn moeder en de andere was gemaakt van het kleed dat achter de kapstok had gehangen. Van een blauwachtige deken, die wij van een Amerikaan hadden gekregen, werd een jas gemaakt. Een 7/8, want meer stof zat er niet in. Ik heb er nooit een punt van gemaakt, maar ik was wel blij toen op Mater Deï de bekende zwarte schooluniformen met de witte manchetten weer werden ingevoerd.

Om voor een staatspensioen in aanmerking te kunnen komen, moest mijn moeder aantonen dat mijn vader bij de ondergrondse gewerkt had, maar hoe doe je dat als dat werk in het grootste geheim moest plaatsvinden. Gelukkig konden collega's van mijn vader getuigenissen afleggen. Zij schreven op 22 november 1947:

Mevrouw,

Gaarne geven wij U een verklaring, dat wij zeer goed wisten, dat Uw man zich tijdens den oorlog met ondergrondsche aangelegenheden bezig hield. Het lag vanzelfsprekend niet op zijn weg, daar maar in het openbaar over te spreken, doch in ons milieu, waar van hem bekend was dat dit volkomen was te vertrouwen, kon het niet anders als van tijd tot tijd uit zijn uitlatingen blijken. Regelmatig voorzag hij ons van illegale lectuur, deed mededelingen enz. Trouwens, wat wil men meer bewijs, dan dat de Duitsers hem ophaalden en fusilleerden?

Vertrouwend U hiermede van dienst te zijn geweest, 

Hoogachtend 

w.g. G. Jacobs, J. Smits, L. Ponsioen, F. Mulder, Th. Adolfs en A.J.C. Leesberg

Ook de heer W.F.H. Rosenberg, de actuaris van de Verzekeringsmaatschappij E.R.K. getuigde in een brief van 26 november 1947:
Geachte Mevrouw,

Gaarne bevestig ik op Uw verzoek, dat mij zeer goed bekend was, dat wijlen Uw man zich ingezet had voor ondergrondsche actie tijdens de bezetting van ons land. Alhoewel vanzelfsprekend na verloop van de emotionele bevrijdingsdagen, gevolgd door enkele uitzichtloze jaren van veel te langzaam geleid herstel, vroegere indrukken inmiddels zijn vervaagd, herinner ik mij dat ik Uw man eens overviel toen hij in samenwerking met zijn vriend van Geuns bezig was berichten van illegale zijde op onze stencilmachine te vermenigvuldigen.
Ook verschafte hij me op min of meer geregelde tijden, drukwerkjes, waarvoor ik verdere adressen wist.
Het is jammer dat ik U niet meer precise gegevens kan verstrekken, doch ik hoop U althans met dit weinige van dienst te zijn geweest.
Het was toch een van zijn buren die hem heeft verraden? Zoo deze man nog in leven is, is dit dan niet een adres waaruit men desgewenscht informaties kan trekken? 

Hoogachtend, 

w.g. W.F.H. Rosenberg
Op grond van deze getuigenissen heeft mijn moeder een staatspensioen gekregen. "De pijn die blijft" geldt voor alle achterblijvers, ook voor mijn moeder en mij. Desondanks heeft mijn moeder na de eerste jaren redelijk mild over de Duitsers kunnen denken. Ik niet, zelfs nu heb ik er nog wat moeite mee. Ze hebben mijn vader afgenomen. Ik liep in de Rembrandtstraat te huilen, toen alle bewoners van die wijk feest vierden omdat we weer vrij waren. Ook op de middelbare school wilde ik geen Duits leren. Ik maakte geen huiswerk en had bijna altijd een onvoldoende, zelfs op mijn eindlijst. Ik kon en wilde de Duitse Goethe en Schiller niet waarderen, terwijl mijn vader dol was op de Duitse literatuur. Daar was ik pas op latere leeftijd blij mee. Door de aantekeningen en opmerkingen, die hij in de "Faust" plaatste als hij het wel of niet eens was met de tekst, heb ik als volwassene het karakter van mijn vader toch nog een beetje beter leren kennen."

Veldhoven, oktober 2007

Tineke Beukering

Bovenstaand verhaal is een voorpublicatie van het in 2010 te verschijnen boek van Bart Janssen, auteur van het in 2005 verschenen boek "De pijn die blijft" waarin verhalen van nabestaanden van de bombardementsslachtoffers van 22 februari 1944 zijn opgenomen. Zijn nieuwe boek zal gaan over "andere" oorlogsslachtoffers uit Nijmegen. Hun verhalen kwamen naar voren tijdens het onderzoek dat hij verrichtte voor zijn eerste publicatie en waren zó indrukwekkend, dat een vervolg op "De pijn die blijft" niet kon uitblijven.

Binnenkort zal op deze website een speciale pagina geplaatst worden waarop Bart Janssen u oproept hem te helpen aan de ontbrekende puzzelstukjes voor zijn nieuwe boek, opdat de verhalen over de Nijmeegse oorlogsslachtoffers voor het nageslacht bewaard zullen blijven.

Reacties op het hierboven gepubliceerde verhaal van Tineke Beukering kunt u per email kwijt aan Henk Kersten van Stichting Noviomagus.nl en zullen onder dit artikel geplaatst worden.

Klik hier voor een fotoselectie uit het familiealbum van de families Toussaint, Pelser en Beukering

REACTIES:

Reactie 1:

Beste Heer Kersten,

Ik heb het verhaal van Tineke Beukering over haar vader Christ Toussaint met zeer veel belangstelling gelezen. De belangstelling kwam voort uit het feit dat ik vroeger het buurmeisje was van Tineke en Can Beukering en Mevr.Toussaint in de Vermeerstraat.
Ik was diep onder de indruk van alles wat ik op Noviomagus gelezen heb en ook de foto's waren erg leuk om te zien. Als kind heb je geen notie van wat er zich vroeger bij je buren heeft afgespeeld. Ook mevrouw van Geuns was voor mij gewoon een mevrouw uit de straat, niet wetende dat zij en de familie Toussaint-Beukering samen een verleden hadden.
Postuum heb ik veel bewondering gekregen voor alle betrokkenen maar vooral Mevrouw Toussaint en haar dochter Tineke ben ik nu met heel andere ogen gaan bekijken. Ik vond ook dat er van het geheel een prachtige documentaire gemaakt was. Hiervoor mijn complimenten.

Met vriendelijke groeten, Igna Wijnen.

Reactie 2:

Met veel interesse dit gedetailleerde verhaal van mevrouw Toussiant gelezen. Erg indrukwekkend moet dit alles voor haar zijn geweest om dit als klein kind mee te maken. Ook de documentatie is zeer mooi gedaan. Wat goed dat er toch nog mensen zijn die zo zorgvuldig alles bewaren en ook nog goed in staat zijn zich alles te herinneren en dit dan ook nog kunnen verwoorden. 
Ik hoop dat er mensen zijn die nog aanvullingen kunnen geven en wens de schrijver van het boek de heer Janssen succes bij de verdere samenstelling van het boek.

met vriendelijke groeten, Henk Niemeijer

Reactie 3:

Heel leuk om de oude advertenties te lezen op de site van Tineke Beukering-Toussaint. Ik wist niet wat pellen waren en heb het opgezocht in het woordenboek. Misschien heeft niet iedereen een woorden boek bij de hand en willen ze toch wel weten wat pellen zijn vandaar dat ik van Dale citeer:1 .Pellen is de stofnaam voor kostbaar weefsel,veelal met gouddraad doorweven. 2.linnen of halflinnen weefsel met eenvoudige blokachtige patronen, voor tafellakens, servetten, enz.
Alles bij elkaar vind ik dit een prachtig document dat niet verloren mag gaan. Een posthume hulde aan de vader van Tineke voor het bewaren van alle gegevens en een groot compliment voor zijn dochter en Henk Kersten voor het realiseren van deze familie documentaire. Ik heb er van genoten.
Anneke Lourens.

Reactie 4:

Jaap en Christien Hardeman, 12-05-08: Geachte Mevrouw Beukering en heer Kersten,

Wij waren zeer verrast ons huidige adres te lezen op de voorpagina van vorige Zondagskrant. “Het is 29 juni 1944, Vermeerstraat 26 in Nijmegen.” Daar wonen we 9 jaar. We waren bekend via de vorige buurvrouw dat Mevrouw Toussaint hier gewoond heeft. 
Wat een persoonlijk drama. Uw verhaal voegt zich bij de verhalen van ons eigen oorlogsleed. Zo werd ook voor uw vader op 4 mei op dit adres de vlag halfstok gehangen. In de prachtige en gedetailleerde beschrijving over uw familie lezen we vele voor ons nieuwe details. Weer staan er fruitbomen in de achtertuin en ook wij hebben bijzondere banden met de Franciscanen aan de overkant van de straat. 
We zijn bijzonder gelukkig in dit huis en in deze straat. Het is voor ons bijzonder ons zo verbonden te voelen met het verleden en met uw verleden. Het ziet er nu hier allemaal anders uit natuurlijk.
Mocht u behoefte voelen of de wens hebben hier nog eens te zijn dan bent u van harte welkom.
Alle waardering en hartelijke groet,

Jaap en Christien Hardeman
Vermeerstraat 26
6521 LX Nijmegen

Reactie 5:

Tineke Beukering-Toussaint, 24-04-09: Ik stuur enkele foto's;

Het GROTE verschil van de graven! Ik heb nog steeds moeite mij er mee te verzoenen; helemaal achteraan op de begraafplaats van "Vredehof". Als ik in Nijmegen ben ga ik er altijd even naar toe.. Daar nog nooit een sterveling aangetroffen. Zó verlaten !

De onderstaande foto had ik nog nooit gezien, ook niet in het Nijmeegs Archief. Het "straatje van Vermeer". Ik schat ca,1940 maar twijfel. Ik dacht ergens een vuilniszak te zien en dat was niet uit die tijd. Ons huis is op de foto het 5de van links. Ik weet zeker dat de foto van vóór 1956 is en voor de speelstraat werd aangelegd. Ik zie het aan de gordijnen van ons huis. 

Deze foto kreeg ik toegestuurd door Jos Joosten die nu in de Mesdagstraat woont. Hij heeft in het kwartaalblad; "Radboud" van Maart j.l. een gedeelte uit mijn verhaal overgenomen met als bronvermelding Noviomagus. Zijn column heet; "Plekken". 

Met de Vermeerstraatfoto ben ik heel blij. Zo zag de straat er uit tijdens mijn jeugdjaren !!

Reactie 6:

Jos. G.M. Spierenburgh, 28-04-09: Beste Tineke,

Ik zag de foto (ansichtkaart?) van de Vermeerstraat bij jouw gastbijdrage op de site van Noviomagus.
Deze foto dateert zeker van voor de door de Duitsers aangestoken brand van de woningen in de Heydenrijckstraat op 20 september 1944. De datum van de brand heb ik opgezocht in het dagboek van Sybrand Galeama O.F.M., dat jou ook wel bekend zal zijn.
De huizen, die na de oorlog zijn gebouwd in de Heydenrijckstraat, staan er namelijk niet op.

Reactie 7:

H. Kersemakers, 24-01-10: Pater Amandus Smackers overleed in 1957 in Grazz Oostenrijk. Hij was een broer van mijn schoonvader en geboren in Stein (L). Van zijn tijd in de oorlog weten wij bitter weinig. Waar kan ik informatie over deze tijd in Arnhem enz krijgen. Pater Amandus werd 57 jaar en stierf aan longkanker en is onder het hoofdaltaar in Grazz begraven. H. Kersemakers . h.kersemakers@home.nl

Reactiepagina
Reactie 8:

Tineke Luiten-Toussaint, 05-04-2015: Bij het bekijken van het oorlogsdagboek over mijn vader, Christiaan Canisius Toussaint kwam bij mij het verlangen weer op om eens te weten hoe het met de medebewoners gaat van de Vermeerstraat in de jaren 1940/50. Ook zoek ik contacten met medescholieren van Lyceum Mater Dei (MMS) eindexamen 1953.
Wie kent mij nog: Tineke Toussaint, gehuwd geweest met Can Beukering?
Ik heb in de Vermeerstraat gewoond op nr. 26. vanaf 1940 t/m 1960.
Reactie 9:

Rob Markus, 28-03-2016: Beste Tineke,

Ik schrijf deze reactie omdat ik waarschijnlijk (verre) familie ben.
Mijn vader is Theo Markus uit Den Haag, tegenwoordig woont hij met zijn vrouw in Gouda. Ik heb begrepen dat hij als jongeman regelmatig gelogeerd heeft bij uw familie in Nijmegen.
Mijn vader kan zich heel goed U en uw vader herinneren, ondanks zijn hoge leeftijd.
Ik heb hem ook de foto's laten zien en de internetpagina van uw familie.
Hij viel bijna van zijn stoel van verbazing. Niet zo goed op die leeftijd, hij is van 1921.
Kun u zich hem nog herinneren?
Ik zal het hier even bij laten, maar ben benieuwd naar Uw reactie.

Met vriendelijke groeten,
Rob Markus
Reactie 10:

Marie-José Russchen-Nas, 28-03-2016: Mijn vader Jos Nas heeft tussen '40 en '50 (en nog wat langer) in de Vermeerstraat gewoond op nummer 2. Hij had 1 zus Els en 2 broers Piet en Hans. Alleen de laatste leeft nog in Australië.

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: