PGEM-RWE

copyright Arjen W. Kuiken; Digitale bewerking: Mark van Loon/Stichting Noviomagus.nl

HOOGSPANNINGSLIJN NIJMEGEN-KLEEF 1940-1944

Levering van stroom aan de Duitse oorlogsindustrie

door Arjen W. Kuiken, 2012

 


Vandaag de dag bestaat er nog steeds een klein deel van het vroegere tracé van de hoogspanningslijn waarbij de originele mast, zei het geschikt gemaakt voor meerdere draaistroomsystemen, nog in gebruik is. Dit traject is te vinden pal ten westen van het onderstation (Umspannwerk) Halvenboom (Pfalzdorf) in de BRD.

 

INHOUD

Inleiding
Welke Centrales
Expansiedrift RWE
Bezoek RWE aan de PGEM
Overeenkomst
Bestaand hoogspanningnet
Het tracé
Ontwerpverdrag
Het definitieve tracé
Contract
Hoe ging het verder
Parallelschakeling
Stroomlevering
Kolen van betere kwaliteit
Onderhoud en reparatie
Geen levering meer
Het einde van de lijn
Samenwerking
Hoe verging het de RWE en de PGEM verder
Terugblik
Hoe verging het de andere koppellijnen
Foto’s van de hoogspanningslijn
Noten
Bronnen

 

INLEIDING

De Duitse oorlogsindustrie had tijdens de Tweede Wereldoorlog een uitzonderlijk hoog stroomverbruik. De grote elektriciteitscentrales, verspreid over het land en gekoppeld in één groot net van hoogspanningslijnen [1], konden aan deze vraag ternauwernood voldoen. Na mei 1940 behoorden de buurlanden Nederland, België en Frankrijk tot de bezette gebieden en hun industrie werd ingelijfd bij de Duitse.

Zo verging het ook de elektriciteitsmaatschappijen. Deze sector behoorde ongetwijfeld tot de “Kriegswichtige Betriebe”. RWE [2] te Essen (Rheinisch Westfälisches Elektrizitätswerke AG), eigenaar van de centrales in het Ruhrgebied en het verdere westelijke grensgebied van het Duitse Rijk, streefde er naar de centrales in de bezette gebieden aan hun hoogspanningnet te koppelen, teneinde hun (over)capaciteit, indien dit noodzakelijk werd, te kunnen inzetten [3].

De functie van de verbindingen met Duitsland was in het begin van de bezetting vooral een verhoging van de bedrijfszekerheid van de Duitse industrie in geval van calamiteiten.

Door het toenemen van de bombardementen op Duitsland in de loop van de oorlog, werd de inzet steeds reëler. Temeer omdat na 1942 de geallieerden begonnen om, van tijd tot tijd, alleen elektriciteitscentrales te bombarderen [4].

 

WELKE CENTRALES?

De elektriciteitscentrales in Nederland, die in aanmerking kwamen om gekoppeld te worden aan het Duitse net, lagen allen in de oostelijke provincies van ons land. Deze keuze werd natuurlijk bepaald door de factoren tijd en geld. Hoe korter de lijn, hoe sneller gereed en hoe lager de bouwkosten. In de beginfase van de bezetting was er sprake van een vijftal verbindingen:

  • Groningen - Emden
  • Zwolle - Ibbenburen
  • Hengelo - Ibbenburen
  • Nijmegen - Kleef
  • Staatsmijnen (Lutterade) - Keulen (Brauweiler)

In het vervolg van dit artikel wordt alleen nader ingegaan op de verbinding Nijmegen - Kleef.

 

EXPANSIEDRIFT RWE

Het Reichswirtschaftsministerium te Berlijn had op 22 mei 1940 bevolen:

“Zur Deckung des Energiebedarfs in Westdeutschland ist zwischen
den holländischen Kraftwerken und dem Hochstvoltnetz des RWE
schnellstens eine leistungsfähige Verbindung herzustellen”.

Drie dagen later, op 25 mei 1940, verzochten Generaldirektor Arthur Köpchen en Dr. Einnatz van RWE, het Reichswirtschaftsministerium om een vergunning de wet betreffende de “Vereenvoudigde Onteigeningsprocedure” te mogen toepassen.

Deze aanvraag werd op 30 mei goedgekeurd.

Hoewel de reden voor de aanvraag door RWE officieel voortkwam uit de wens van het Reichswirtschaftsministerium om mogelijke tekorten aan elektriciteit in Duitsland te compenseren door het teveel aan stroom in Nederland, is het duidelijk dat de expansie drift van de RWE zelf een zeer grote rol heeft gespeeld. Men greep de kans met beide handen aan.

RWE deelde in een intern schrijven mee:

De bouw van een dubbele 220 kV hoogspanninglijn tussen het onderstation Kleef en de Nederlandse grens bij de Querdamm bij het Wylermeer.

Met goedkeuring van de Reichswirtschaftminister [5] van 30 mei is ons de opdracht gegeven, ter dekking van het energieverbruik in West-Duitsland, zo snel als mogelijk is, verbindingen aan te leggen tussen Nederlandse elektriciteitscentrales en het hoogspanningnet van RWE. Met dit doel zal de centrale Gelderland bij Nijmegen middels een hoogspanningslijn verbonden worden met ons onderstation in Kleef [6].

Gezien de gevraagde snelheid van de bouw en de verwachte moeilijkheden in het terrein, kunnen we er niet vanuit gaan dat we, bij de aankoop van de noodzakelijk percelen, met alle grondeigenaren tot een snelle financiële overeenstemming kunnen komen en dat we over zullen moeten gaan tot het dwangmatig onteigenen van hun grond.

De wet betreffende de “Bevordering van de Energie-economie” uit 1935 en de wet betreffende een “Vereenvoudigde Onteigeningsprocedure” uit 1922, zullen in acht genomen worden.

 

BEZOEK RWE AAN DE PGEM

Op 10 juni 1940, slechts een maand nadat de Duitsers Nederland waren binnengevallen, bezochten vertegenwoordigers van de RWE het provinciale elektriciteitsbedrijf van Gelderland, de PGEM. De RWE delegatie benadrukte het belang om snel een verbinding tot stand te brengen tussen de elektriciteitsnetten van de PGEM en dat van de RWE.

 

OVEREENKOMST

Begin juli 1940 werd op de hoofdpunten overeenstemming bereikt en werd een overeenkomst opgesteld. De partijen kwamen overeen om een 110 kV hoogspanningslijn aan te leggen tussen de centrale Gelderland te Nijmegen en het bestaande RWE-onderstation te Kleef [7].


PGEM centrale Gelderland - Nijmegen

Het verdere tracé op Duits grondgebied was bestaand (bouwjaar 1926) en al ingericht voor de doorvoer van 110kV. Dit tracé liep van het onderstation Kleef naar het onderstation Hüthum, op de noordelijke oever van de Rijn en van daar naar de “Niederrhein” elektriciteitscentrale te Wesel-Obrighoven [8].

Hier zou de “Nijmeegse stroom” in het grote Duitse koppelnet “ingesluisd” worden.

Iedere partij was verantwoordelijk voor dat deel van de verbinding dat op het eigen grondgebied liep en droeg de kosten hiervan. De verwachting was dat de verbinding binnen enkele maanden gerealiseerd kon worden.

 

BESTAAND HOOGSPANNINGSNET

Zoals reeds vermeld, was het tracé Kleef – Hüthum en het tracé Hüthum – Wesel al ingericht als 110 kV lijn. De lijn Kleef – Halvenboom – Goch was geschikt voor doorvoer van 60 kV. Vanuit het onderstation Halvenboom werden de sub-regio’s Kalkar en Kevelaar eveneens van stroom voorzien via een 60 kV verbinding.


RWE centrale Niederrhein – Wesel / Obrighoven

 

HET TRACĖ

RWE bepaalde het tracé te snel en ondoordacht. Men koos voor het kortste traject en plande een lijn die in noordwestelijk richting naar Nijmegen liep. Als startpunt gold het onderstation Kleef en vandaar af liep de lijn ten noorden van Donsbrüggen, via Mehr en Zyfflich naar de Querdamm bij Wyler. Het tracé van de hoogspanningslijn op Nederlands grondgebied liet men over aan de Nederlandse autoriteiten.

Deze stonden voor een onmogelijke taak. Om het tracé te laten eindigen bij de centrale Gelderland kwam men twee “obstakels” tegen. De Ooy en de stad Nijmegen.

De Ooy kon niet doorkruist worden om Gründen des Landschaftsschutzes” en de stad Nijmegen kon niet doorkruist worden om “Städtebaulichen Gründen”.

RWE had dit natuurlijk kunnen voorzien. Waarom men toch dit tracé in de onderhandelingen met de PGEM als serieuze oplossing ter tafel bracht, is niet bekend.

Het tracé kon niet goedgekeurd worden en de RWE moest terug naar de tekentafel om een alternatieve oplossing uit te werken.

 

ONTWERPVERDRAG

Op 17 augustus 1940 vergaderden de RWE en de PGEM opnieuw. Nu stond het gewijzigde tracé op de agenda. Men kwam een nieuw ontwerpverdrag overeen.

RWE deelde in een intern schrijven mee:

Over het ontwerpverdrag tussen RWE en de PGEM is overeenkomst bereikt. Ook het Reichswirtschaftsministerium heeft het goedgekeurd. De PGEM heeft nog wel de goedkeuring van het ministerie van Rijkswaterstaat nodig, maar hier zijn geen problemen te verwachten.

Wat betreft de hoogspanningslijn zelf, is het noodzakelijk een tracé aanpassing te doen. De binnenkomst bij Nijmegen dient nu parallel aan het Maas-Waalkanaal te lopen. De moeilijkheden die het oude tracé ondervond op Nederlands grondgebied maken het noodzakelijk een aanzienlijke omweg te maken.

De RWE afdeling E heeft een voorstel gedaan de lijn niet meer vanuit Kleef te laten beginnen, maar men wil nu vanuit Nijmegen richting Goch gaan om daar aan te sluiten op het RWE-onderstation bij Halvenboom (Pfalzdorf) in de daar aanwezige lijn Kleef-Goch. Deze laatste zal dan wel aangepast moeten worden aan de nieuwe situatie. Het vervolg van de lijn naar de centrale “Niederrhein” te Wesel zal dan lopen via de al bestaande verbinding die ook in het vorige tracé werd benut.

Momenteel is het verkrijgen van de nodige materialen voor de bouw van de lijn het grootste probleem. We hopen dat dit spoedig verholpen zal zijn.

RWE bestudeert momenteel de vragen betreffende de uitrusting en uitvoering van het 220 kV onderstation bij de centrale Gelderland. Omdat er geen aansluiting per spoor is, is het transport van de zware 220 kV transformator naar het toekomstige onderstation niet eenvoudig. Na onderzoek blijkt dat de kolen loskade van de centrale niet benut kan worden. Een oplossing zou zijn in de rivier de Waal, ter hoogte van het RWE terrein een loskade te bouwen en de transformator met een drijvende kraan vanuit een vaartuig direct op het terrein van het onderstation te plaatsen. In ieder geval zullen al deze werkzaamheden pas in het voorjaar van volgend jaar gereed komen.

Volgens directeur Fels van de PGEM is een eerder tijdstip ook niet nodig. Hij is van mening dat de centrale Gelderland in de wintermaanden, behoudens gedurende de nachten, geen vrij vermogen ter beschikking heeft.

 
Klik op een foto voor een uitvergroting.

Voor het nieuwe tracé vroeg RWE in september 1940 bij het Reichswirtschafts-ministerium een gewijzigde onteigeningsvergunning aan.

 

HET DEFINITIEVE TRACÉ

Het tracé van de hoogspanningslijn liep vanaf de aansluiting bij de Centrale Gelderland bijna parallel aan de oostzijde van het Maas-Waalkanaal. Via Neerbosch, Hatert, Malden naar Mook. Daar passeerde de lijn de provinciegrens met Limburg.

Tussen de Plasmolen en Middelaar door, liep de lijn via Milsbeek naar Ven Zelderheide, waar de Duitse grens werd gepasseerd.

Daarna in een rechte lijn via Asperden naar Halvenboom (Pfalzdorf). Hier sloot de lijn aan op het daar aanwezige onderstation in de hoogspanningslijn Kleef–Goch. Vervolgens liep de lijn, zoals eerder was gepland, verder naar het onderstation Kleef. Het vervolg van de lijn naar de centrale “Niederrhein” te Wesel verliep via de verbinding die ook in het vorige tracé werd benut.

De hele lijn was bovengronds aangelegd [9] en liep bijna voor 100% over onbebouwd gebied. Als men het tracé volgt is goed te zien dat men rivier- en kanaalovergangen, heuvels en bossen heeft vermeden om aanleg en onderhoud te vergemakkelijken.

 

CONTRACT

Rond negen maanden later, op 30 juni 1941 ondertekenen de PGEM en de RWE het contract [10]. Voor de PGEM zet directeur Ir. J.J. Fels de handtekening. Enige belangrijke afspraken waren:

  • Het contract heeft een looptijd van 3 jaar met als begindatum de dag waarop de eerste levering van stroom plaats vind.
  • De lijn is geschikt voor twee draaistroomsystemen van elk 220kV, maar wordt voorlopig uitgevoerd met één 220kV lijn, die op zijn beurt in de beginfase als 110 kV lijn ingezet gaat worden.
  • Een onbebouwd deel van het terrein van de Centrale Gelderland wordt verkocht aan de RWE [11]. Hierop bouwt deze een 220 kV onderstation.
  • De kosten voor het onderstation zijn voor rekening van de RWE tot aan de laagspanningszijde van de daar opgestelde vermogenstransformator.
  • De kosten voor de verbinding van de laagspanningszijde van de vermogenstransformator naar het aansluitpunt van de generatoren in de centrale is voor rekening van de PGEM.
  • De PGEM is verplicht een spanning van 50kV aan de laagspanningszijde van de vermogenstransformator van RWE aan te bieden.
  • De PGEM laat een spoorlijn aanleggen vanaf de Waalhaven bij de Hezelpoort naar het terrein van de centrale, met een aftakking naar het RWE onderstation.
  • Alle bestaande rechten van PGEM-afnemers binnen Nederland, blijven bestaan.
  • De rekening voor de geleverde stroom zal maandelijks schriftelijk aan de RWE aangeboden worden. Bedragen in Nederlandse guldens.
  • De RWE is, op straffe van een boete, verplicht deze rekening te betalen.
  • Geschillen worden voorgelegd aan een kommissie bestaande uit leden van beide organisaties.


Originele tekening uit het contract. Het rood omlijnde deel zal door de RWE aangekocht worden ten behoeve van het te bouwen onderstation. De streepstip lijn is de nieuw aan te leggen spoorlijn. De blauwe lijn is de uiteindelijke hoogspanningslijn.

Het artikel in de overeenkomst van juli 1940, dat de PGEM verantwoordelijk was voor dat deel van de verbinding dat op Nederlands grondgebied lag en tevens de kosten daarvoor moest dragen, is geheel vervallen. De RWE betaalt de hele lijn. De PGEM dient alleen de kosten te dragen voor de verbinding van de laagspanningszijde van de vermogenstransformator in het onderstation naar het aansluitpunt van de generatoren in de centrale.

 

HOE GING HET VERDER

Men ging voortvarend van start. De situatie was als volgt:

  • De nieuwe hoogspanningslijn Nijmegen-Halvenboom werd gebouwd als zijnde geschikt voor twee draaistroomsystemen van elk 220kV, maar werd voorlopig uitgevoerd met één systeem van 220kV. Deze werd op zijn beurt in de beginfase als 110 kV lijn ingezet.
  • De hoogspanningslijn Kleef-Goch, geschikt voor 60 kV, werd gedeeltelijk aangepast. Het deel Halvenboom-Kleef werd omgebouwd volgens dezelfde configuratie als de lijn Nijmegen-Halvenboom.
  • Het onderstation Halvenboom (Pfalzdorf), in de lijn Kleef-Goch, werd gereed gemaakt voor de koppeling met de nieuwe lijn vanuit Nijmegen.

Uit tussentijdse rapportages, z.g. “Lageberichten”, komt naar voren dat men verwachtte dat de (om)bouw van bovenstaande werkzaamheden eind 1942 gereed zou zijn.

Hoewel er nog geen stroom door de nieuwe 110 kV aansluiting was gevloeid en een eventuele ombouw naar 220 kV nog in de verre toekomst lag, maakte de RWE al weer nieuwe plannen.

In september 1942 werd om goedkeuring verzocht bij de Staatssecretaris voor Energie om de in aanbouw zijnde lijn Nijmegen-Halvenboom-Kleef, uitgevoerd als (toekomstige) 220 kV lijn, tot Wesel door te trekken. Ombouw van deze extra 38 km tot Obrighoven bij Wesel, betekende een investering van 2.905 ton staal en 250 ton “Leitaluminium” extra [12]. De RWE achtte dit nodig om later 40 tot 60 MW uit Nederland naar de Duitse oorlogsindustrie te kunnen doorgeven. Ook nu verzocht RWE bij het Reichswirtschafts-ministerium om een vergunning om de wet betreffende de “Vereenvoudigde Onteigeningsprocedure” te mogen toepassen.

De RWE hielt ook in 1944 vast aan haar plannen om de het Nederlandse elektriciteitsnet nauw aan het west Duitse koppelnet aan te sluiten. Zij deed haar uiterste best de 110 kV aansluiting tussen Nijmegen en Obrighoven, met een transportcapaciteit van 50 MW vrij vermogen uit de centrale Gelderland, in het voorjaar van 1944 gereed te hebben.

Gelijkertijd werd gepland om over dezelfde masten een extra 220 kV lijn aan te leggen, die in de herfst van 1944, na een totale ombouw naar twee draaistroomsystemen van elk 220kV, in totaal 100 MW uit de centrale Nijmegen in het RWE-net zou moeten toevoeren.

 

PARALLELSCHAKELING

Op 19 april 1944 was het dan zover. De lijn was gereed. In het bijzijn van veertien hoge Duitse autoriteiten werd overgegaan tot parallelschakeling van de centrale Gelderland met het Duitse net. De schakeling verliep vlot, aldus de directeur van de PGEM J.J. Fels. Op dat moment was Nijmegen gekoppeld aan het hoogspanningsnet dat zich over het grootste deel van Duitsland uitstrekte. Technisch gezien een “zeer interessant experiment”, dat zonder enige moeilijkheden mogelijk bleek.

Nadat gedurende vijf minuten gebleken was, dat het mogelijk was stroom aan Duitsland te leveren en eveneens stroom uit Duitsland te betrekken, werd onder protest van de aanwezige Duitsers de verbinding weer verbroken wegens “gebrek aan kolen”.

Reden voor deze toch wel provocerende actie was het standpunt van de Nederlandse autoriteiten, dat wanneer Duitsland stroom wenste te betrekken, de Duitsers zelf daarvoor de kolen hadden te leveren. Weliswaar waren van Duitse zijde 30.000 ton kolen toegezegd, maar die waren niet gearriveerd.

De Duitsers stuurden op korte termijn 9.000 ton kolen, maar klachten over de kwaliteit van de kolen leidden steeds weer tot uitstel van de stroomlevering [13].

 

STROOMLEVERING

Op 14 juni 1944, startte dan eindelijk de “definitieve” levering van stroom door de centrale Gelderland aan het RWE hoogspanningsnet. De eerste levering duurde 73 uur en 35 minuten. Toen werd op aandringen van de bedrijfsleiding van de centrale de levering stopgezet. De reden was weer “ gebrek aan kolen”. De Duitsers waren hun toezegging om magere kolen te sturen nog steeds niet nagekomen.

Een mede oorzaak van de leveringsstop was de “minder goede” staat waarin de opwekkingseenheden zich bevonden. Vooral de stoomketels met bijbehorende randapparatuur waren door achterstallig onderhoud in een slechte staat. Dit had tot gevolg dat slechts een deel van het machinepark beschikbaar was en dit deel was nodig om de belangrijkste Nederlandse afnemer, de hele provincie Gelderland, van stroom te voorzien. Niet voor niets stond in het contract van juni 1941; Alle bestaande rechten van PGEM afnemers binnen Nederland, blijven bestaan

Bedrijfsdirecteur J.J. Fels van de PGEM stelde in een schrijven aan de RWE voor, om 14 juni als begindatum te nemen voor het 3-jarige leveringscontract dat op 30 juni 1941 - bijna 3 jaar eerder - was gesloten tussen beide maatschappijen.

Generaldirektor Arthur Köpchen en Director Peters van de RWE waren het daar niet helemaal mee eens. Zij vonden dat de eerste levering als “proeftijd” gezien moest worden. Men was wel bereid het leveringscontract op 1 juli 1944 te laten ingaan.

Op 19 juni leverde men opnieuw stroom aan het RWE net. Ditmaal duurde dit 61 uur en 20 minuten. Opnieuw maakte de slechte staat van het machinepark het noodzakelijk een reparatiepauze in te lassen.

Een maand later, op 19 juli 1944 werd, wegens een storing in het Duitse hoogspanningsnet van de RWE, een stroomlevering door de centrale Nijmegen bevolen. Deze overbruggingsperiode duurde 16 uur en 40 minuten.

De daarop volgende periode met problemen aan de verbrandingsroosters van de ketels, maakte het onmogelijk zowel de provincie Gelderland als de RWE van stroom te voorzien. Het kwam meerdere malen voor dat de productie in Nijmegen lager was dan de vraag, zodat in de omgekeerde richting van de verbinding gebruik werd gemaakt: de RWE leverde stroom aan de PGEM!

 

KOLEN VAN BETERE KWALITEIT

De RWE deed zijn best en zorgde ervoor dat, via de verantwoordelijke instanties, 15.300 ton kolen van betere kwaliteit aan de centrale Gelderland geleverd werd. Het was een sigaar uit eigen doos, de levering kwam uit onze eigen Limburgse kolenmijnen [14].

Onderaan de brief staat een optimistisch “Die Schwierigkeiten sind wohl dort behoben”.

Men ging er blijkbaar vanuit dat “de kolen” het enige probleem was dat een regelmatige levering in de weg stond [15].

 

ONDERHOUD EN REPARATIE

Steeds kwam de levering aan de RWE (gedeeltelijk) stil te liggen door perioden van reparatie- en onderhoudswerkzaamheden. Elke stillegging, gedeeltelijk of geheel, werd steeds zorgvuldig bij de Duitse autoriteiten aangemeld en voorzien van argumenten.

Eind juli 1944 ging Dipl. Ing. Pees van de “Niederrhein” elektriciteitscentrale te Wesel-Obrighoven, op verzoek van het “Reichscommissariat in den Niederlanden – Abteilung Energie”, op bezoek in Nijmegen om met eigen ogen deze werkzaamheden eens te aanschouwen.

In zijn rapport aan het commissariaat meldt hij dat er in de achter liggende periode inderdaad meerdere noodzakelijke reparaties aan turbines en ketels waren uitgevoerd. Verder constateerde hij dat kleinere, maar belangrijke en noodzakelijke componenten zoals pompen, compressoren, kolenmolens, afsluiters etc., in slechte staat verkeerden omdat het verkrijgen van reserve onderdelen op zeer grote moeilijkheden stuitte. Ook het verkrijgen van basismaterialen zoals: buizen, pijpen, afsluiters, pakkingmateriaal, staal en non-ferro metalen waren aan allerhande “Duitse” beperkingen gebonden. De onderhoudsafdelingen moesten (te) vaak improviseren om de zaak draaiend te houden.

Verder kon hij melden dat de bedrijfsleiding van de PGEM een volledig stroomlevering aan de RWE in oktober dacht te kunnen hervatten.

Verder viel hem op dat het gevraagde vermogen (in Gelderland zelf), gedurende de “middagspits” bijzonder hoog was en regelmatig een waarde van 65 MW bereikte. Het ging hier om een echte “kookspits” [16].

Verder maakte de ongunstige brandstof samenstelling het onmogelijk de stoomketels vol te belasten, zodat de centrale, gezien vanuit de stoomproductie, hoogstens 55-60 MW vermogen kon leveren. Om de “kookspits” af te dekken werd de oude centrale aan de Waalkade in de ochtenduren met 10 MW “bij” geschakeld.

 

GEEN LEVERING MEER

De eerder genoemde drie leveringsperioden bleken uiteindelijk ook de enigen te zijn. Na 19 juli 1944 heeft geen levering meer plaats gevonden. In totaal werd aan het Duitse Rijk dus maar gedurende 151 uur en 35 minuten stroom geleverd. Het maximale vermogen in deze periode was een schamele 20 MW. Hierbij moet nog worden aangetekend dat deze waarde alleen gedurende de nachtelijke uren bereikt kon worden. Tijdens de Nederlandse “spitsuren” zonk de levering tot praktisch nul weg. In meerdere gevallen was er zelfs een tekort aan vermogen en leverde de RWE stroom terug aan de PGEM.

 

HET EINDE VAN DE LIJN

In september 1944 drongen de geallieerde legers vanuit Frankrijk en België tot op Nederlands grondgebied door. Het werd de Duitsers duidelijk, dat zij Nijmegen in de nabije toekomst zouden moeten opgeven en hebben met alle mogelijke middelen het grootste deel van de stationsinrichting bij de centrale Gelderland naar Duitsland teruggevoerd. De hoogspanningslijn zelf raakte tijdens de gevechten gedurende Market Garden en later de operatie Veritable, zowel op Nederlands- als op Duits grondgebied zwaar beschadigd.

Toch is er na de oorlog nog even sprake geweest van een herstel van de lijn. In de Rijksbegroting van 1946 stond onder hoofdstuk 2, paragraaf 10, artikel 130:

Voor de reparatie van de hoogspanningslijn Kleef-Nijmegen, welke eveneens betrokken kan worden in het schema van stroomlevering van Duitschland aan Nederland, is op dit artikel een bedrag van f 400.000 geraamd.

Deze reparatie is nooit tot stand gekomen en in 1947 waren de meeste restanten van de lijn gedemonteerd of verschroot [17].

De voornoemde 9.000 ton vetkolen bleven achter en daarvan is dan ook dankbaar gebruik gemaakt na de bevrijding van Nijmegen.

 

SAMENWERKING

Over het algemeen waren de Duitse instanties en in het bijzonder de RWE, tevreden over de samenwerking met de PGEM. Het “Reichscommissariat in den Niederlanden – Abteilung Energie” had een vertegenwoordiger binnen het PGEM concern geplaatst, maar deze bemoeide zich nauwelijks met inhoudelijke kwesties, zodat de bedrijfsleiding zo goed als autonoom haar beslissingen kon nemen en uitvoeren.

De RWE kon in noodgevallen op de PGEM rekenen, zo vond men. De bedrijfsleiding van de PGEM werd over het algemeen als “meewerkend” gekenschetst [18].

Het aanvankelijk enthousiasme van de PGEM voor een koppeling met het RWE netwerk, steekt wat schril af tegen de beschrijving die de betrokkenen ná de oorlog gaven over hun houding betreffende deze koppeling. De PGEM deed het toen voorkomen alsof de koppelverbinding tegen hun zin aangelegd was.

 

HOE VERGING HET DE RWE EN PGEM VERDER

Het RWE koppelnet stort kort voor het einde van de oorlog ineen. De stroomleveringen uit Zwitserland werden gestopt. De geallieerden sloten alle buitenlandse verbindingen af en de eigen steen- en bruinkool centrales werden onder geallieerde controle geplaatst. Er werd een stroomrantsoenering ingesteld.

Nadat de „koude oorlog“ tussen Oost en West was begonnen, zagen de westelijke bezettingsmachten het nut van een sterk Duitsland als buffer binnen Europa.

Men begon de wederopbouw van de stroomverzorging te ondersteunen. In 1948 was het RWE hoogspanningsnet weer operationeel. De stroomrantsoenering kon worden opgeheven.

De PGEM kwam ook niet ongeschonden uit de oorlog. De centrale Gelderland werd gespaard, maar het bovengrondse leidingnet was over grote afstanden vernietigd. Onderstations en transformatorhuisjes waren veelal volkomen verwoest. Er was een gebrek aan kolen en allerhande materialen. In het begin van de bezetting was al een stroomrantsoenering ingevoerd. Die werd nog verscherpt na 17 september.

Toen kregen slechts een beperkt aantal gebruikers stroom toegeleverd, zoals bv. drinkwaterleidingbedrijven, voedselvoorzieningen, rioolpompen en stations. Ook na de bevrijding bleef elektriciteit overigens gedurende een aantal jaren gerantsoeneerd. Er was volop werk. Het “Marshallplan” van 1947 hielp het economische leven weer op gang. Nieuwe ketels werden geplaatst. Hierdoor kon de centrale in 1951 een totaal vermogen van 178 MW leveren. De provincie Gelderland bouwde een eigen 150 kV net.

 

TERUGBLIK

Hoewel het de bedoeling van de Duitsers was om de lijn al in september 1940 operationeel te hebben, zou het tot april 1944 duren voordat de verbinding gereed was.

De lijn had (blijkbaar) geen hoge prioriteit. Ondanks de vele vergaderingen, overeenkomsten en contracten zat er weinig vaart in de realisatie van de lijn.

Er waren meerdere redenen voor deze vertraging, o.a.:

  • De aanpak van de RWE zelf. Wijzigingen, zowel in planning als in uitvoering, stapelden zich op.
  • Men verdeelde de aandacht over meerdere hoogspanningsverbindingen te gelijk, hierdoor versnipperde de inzet van mensen en materiaal.
  • De Duitse “Gründlichkeit” in planning en uitvoering werkte onder de gegeven omstandigheden vertragend.
  • Er was bijna een permanent tekort aan arbeidskrachten.
  • De verkrijging van de nodige apparatuur, materialen en grondstoffen was moeilijk en in vele gevallen langdurig onmogelijk.
  • De onderhandelingen en onteigeningsprocedures met burgers duurde langer dan verwacht.

In technisch opzicht was deze verbinding voor de Duitsers in elk geval niet bijzonder. Men had al vele hoogspanningslijnen aangelegd.

Door medewerkers van de PGEM werd achteraf smalend opgemerkt, dat de vertraging te wijten was aan overmoed van de zijde van de Duitsers die “geloofden dat zij tot elke bijzondere prestatie in staat waren”. Dit is niet het geval geweest. De vertraging ontstond door boven genoemde redenen en de onstilbare honger van de RWE om hun leidingnet over de grenzen naar Europa uit te breiden en steeds lijnen te willen realiseren die geschikt waren voor een nog hoger vermogen.

Opvallend is dat de RWE tot laat in augustus 1944 door ging met de aanleg en het wijzigen van de hoogspanningsverbindingen met Nederland. Ook werden nog steeds nieuwe plannen gemaakt. De RWE bekommerde zich schijnbaar niet om het feit dat de Duitse legers op alle fronten op de terugtocht waren en dat het opgeven van hun lijnen in de zeer nabije toekomst realiteit zou worden.

De hele lijn werd op kosten van de RWE aangelegd. Dit in tegenstelling tot wat er in 1940 was overeengekomen. Het geheel overziend, kan men stellen dat de hoogspanningslijn Nijmegen – Kleef, met veel kosten tot stand gebracht, de Duitsers geen enkel nut heeft gebracht.

 

HOE VERGING HET DE ANDERE KOPPELLIJNEN

Zoals we eerder lazen, was de RWE van plan een vijftal verbindingen aan te leggen tussen centrales in het oosten van Nederland en zijn eigen bestaande hoogspanningsnet.

De geplande verbindingen met Groningen, Zwolle en Hengelo zijn nooit voor 100% gerealiseerd. De twee andere wel. Nijmegen-Kleef heeft, zoals we gezien hebben, nog tijdens de bezetting kortstondig gefunctioneerd, maar de verbinding Staatsmijnen- Keulen niet. Deze laatste is pas na de oorlog, door de bezettingsmachten, in bedrijf genomen.

 

FOTO’S VAN DE HOOGSPANNINGSLIJN

Er zijn weinig foto’s bekend van het tracé. Hieronder volgen er enigen waarop één of meerdere hoogspanningsmasten van de lijn te zien zijn. De kwaliteit laat helaas soms te wensen over.


Luchtfoto uit september 1944 van de centrale Gelderland en omgeving.
Het witte vlak links naast de Nyma was het RWE terrein.
De 220kV transformator en andere zaken waren toen al ontmanteld en afgevoerd naar Duitsland.


Het Dominicuscollege.
Net achter het speelterrein is vaag een hoogspanningsmast te zien.
Op de achtergrond zien we de Dorpsstraat/Neerbosch en de oprit naar de kanaalbrug.


Luchtfoto van Neerbosch, winter 1944-1945. Op de voorgrond de vernielde kanaalbrug.
In het midden, naast de toren van het Witte Kerkje, is de gashouder aan de St. Teunismolenweg.
Links zijn vaag enige hoogspanningsmasten te zien.


Uitvergroting van vorige foto.
De twee hoogste masten links stonden aan weerzijde van het oplopende talud van de Graafseweg naar de spoor- en verkeersbrug over het kanaal. Deze stonden ongeveer ter hoogte van het huidige NXP terrein.


Hoogspanningsmast ter hoogte van de vernielde Hatertse brug


Hoogspanningsmast achter de tijdelijke Amerikaanse militaire begraafplaats te Molenhoek.
Duidelijk is te zien dat de lijn enkel was uitgevoerd.
Sgt. Christ J. Lambrose (1920-1 okt 1944) diende bij C battery, 376th Parachute Field Artillery Battalion, 82nd Airborne Division. Hij ligt momenteel begraven op het Arlington National Cemetery USA.


Komend vanaf Mook stak de hoogspanningslijn tussen Milsbeek en Gennep de Nijmeegseweg over.
Op het fietspad lopen manschappen van het Fallschirmjäger-Lehrregiment, terugkomend van de gevechten bij Middelaar en Plasmolen. Op de achtergrond is vaag het Reichswald te zien.

 

NOTEN

[1] Duitsland was in Europa één van de eerste landen die een landelijk koppelnet bezat. Ook bestonden er toen al verbindingen met Oostenrijk, Zwitserland en Italië. Nederland, verdeeld in provinciale netten, begon pas na de Tweede Wereldoorlog serieus te werken aan een landelijk koppelnet.

[2] De RWE, opgericht op 25 april 1898, bestaat vandaag de dag nog. De RWE is actief op het gebied van de opwekking, verkoop, transport en levering van elektriciteit en gas. De RWE is in Duitsland de belangrijkste, in Nederland de op één na belangrijkste en in het Verenigd Koninkrijk de op twee na belangrijkste energieproducent. Daarnaast is RWE actief in Midden- en Zuidoost-Europa. Essent is sinds 30 september 2009 100% onderdeel van de RWE, één van Europa’s vijf belangrijkste energiebedrijven

[3] Het ging hierbij in eerste instantie om de overcapaciteit aan vermogen die de provinciale elektriciteitsmaatschappijen bezaten. Het was gebruikelijk om ongeveer 30-40% extra vermogen te hebben (reservefactor 1,5). In de jaren dertig was deze reservefactor echter gestegen tot 2.5! Dit betekende dat de centrales een vermogen konden opwekken dat gelijk was aan 2.5 x het vermogen dat daadwerkelijk in de betreffende provincie nodig was.

[4] Hoewel van expliciet strategisch belang, waren de Duitse elektrische installaties nooit een speciaal doelwit voor de geallieerden. De Britse RAF gooide slechts 0,04 % van al haar bommen op dergelijke installaties en de Amerikaanse USAAF slechts 0,05 %.

[5] Walter Funk

[6] Zonder dat er overleg met de PGEM had plaatsgevonden, ging de RWE er vanuit dat de koppellijn tot stand zou komen.

[7] Hoewel de plannen uitgingen van een 220 kV (220.000 V) lijn, richtte men zich in eerste instantie op een 110 kV aansluiting.

[8] Centrale Niederrhein was een elektriciteitscentrale in Wesel-Obrighoven. De centrale werd in 1910 door RWE gebouwd en was één van de eerste kolencentrales in Noord Rijnland Westfalen (NRW). Door de bouw nam de elektrificatie van de streek een grote vlucht. De centrale was gelegen aan de rivier de Lippe nabij de monding hiervan in de Niederrhein. De centrale beschikte over een haven, zodat de aanvoer van kolen per binnenschip mogelijk was. De centrale werd na de Tweede Wereldoorlog (1948) als “Reparationsleistung” gedemonteerd. Vandaag de dag herinnert het grote onderstation (Umspannwerk) Niederrhein aan de plaats waar eens de centrale heeft gestaan.

[9] De bouw van de lijn werd geheel door de RWE verzorgd. Ook de kosten hiervoor kwamen voor rekening van RWE. Het type mast dat werd geplaatst was de Duitse Dreiebenen-Tannenbaummast. Deze vakwerkmast bezat drie boven elkaar liggende traversen. Elke zijde van de mast kon één 3-pfase draaistroomsysteem dragen.
De maatschappij maakte voor de bouw regelmatig gebruik van buitenlandse arbeidskrachten. Zo werden rond Nijmegen ploegen Franse dwangarbeiders en/of krijgsgevangenen ingezet.

[10] Tussen beide ondernemingen bestond al een contract sinds 1922. Deze voorzag in een wederzijdse stroomlevering. Dit contract beperkte zich echter tot de directe grensgebieden van beide ondernemingen, zodat deze niet gebruikt kon worden voor de nieuwe situatie. Voorbeelden zijn: Stroomlevering door de RWE aan de dorpen Megchelen en Bredevoort in de Achterhoek tegen een kWh prijs van 1,35 cent en stroomlevering van de PGEM aan het Duitse gehucht Grafwegen (bij Groesbeek) tegen 4,5 cent per kWh.

[11] Grondprijs Hfl. 2,30 per m². De PGEM heeft het recht tot terugkoop als de RWE niet langer het gebruik van het onderstation nodig acht. De RWE is dan verplicht alle gebouwen en andere installaties op eigen kosten af te breken.

[12] Het materiaal koper, gebruikt in de geleiders van hoogspanningsnetten, werd gedurende de oorlog vervangen door ijzer of aluminium.

[13] De 9.000 ton kolen bestond alleen uit vetkolen, ongeschikt voor verbranding in de Nijmeegse stoomketels. Afgesproken was dat de levering minimaal voor 60% uit magere kolen zou bestaan.

[14] Nederland beschikte van de negentiende tot het laatste kwart van de twintigste eeuw over in totaal 12 mijnzetels. Vier hiervan waren staatsmijnen en de overige acht waren in particuliere, vaak buitenlandse, handen. Deze industrie bood werkgelegenheid aan ca. 65.000 mensen. Indirect waren nog eens 30.000 personen van de bedrijfstak afhankelijk.
De mijnsluiting in Nederlands Limburg vond plaats in de jaren 1960 – 1970. De toenmalige minister van Economische Zaken Joop den Uyl, deed de belofte dat er geen sluitingen zonder vervangende werkgelegenheid zouden plaatsvinden. Desondanks vervielen door het sluiten van de mijnen op den duur 45.000 directe, en alle indirecte arbeidsplaatsen.

[15] In het schrijven aan de RWE wordt gesproken over “Magernuss 4/5”. De centrale Gelderland verstookte in zijn ketels magere nootjes 4 of 5. Dit was een term om de kwaliteit en de grootte van de steenkoolbrokken aan te geven. Magere kool betekend dat er minder dan 12% vluchtige bestanddelen in zit, bv Anthraciet heeft 10%. Formaat 4/5 waren kleine (2 à 3 cm) en relatief goedkope nootjes. Het grootste en duurste formaat waren nootjes 1.

[16] Kookspits: grote afname van elektriciteit door particulieren tijdens de middaguren. Deze ontstond als de huisvrouwen op grote schaal elektrische huishoudelijke apparaten inschakelden. Bijvoorbeeld: elektrisch koken en water verhitten. De PGEM had voor de oorlog een groots opgezette campagne gevoerd om het elektrisch koken en het verwarmen van water te stimuleren.

[17] De hoogspanningslijn raakte tijdens de gevechten gedurende Market Garden en de operatie Veritable zwaar beschadigd. De RWE had voorafgaande aan deze gevechten het grootste deel van de stationsinrichting bij de centrale Gelderland al ontmanteld en teruggevoerd naar Duitsland. De lijn zelf, de masten en de geleiders bleven nutteloos achter. In 1946 begon men met de afbraak en aan het einde van 1947 waren de meeste restanten van de lijn gedemonteerd of verschroot.
Demontage vond plaats in opdracht van de beide elektriciteitmaatschappijen. De masten of delen daarvan konden elders gebruikt worden. Vooral de RWE heeft vele masten hergebruikt. Het Nederlandse deel van het tracé is grotendeels verschroot. Menig schroothandelaar heeft toen goede zaken gedaan.
Een ooggetuige uit Hees (Nijmegen) vertelt:
"De masten werden precies boven de betonnen fundering afgebrand en zijdelings omgetrokken. Men liet de masten in zijn geheel vallen en wel zodanig dat de punten van de drie traversen diep in de grond drongen. Hier zal een reden voor geweest zijn. Het trek- en hijswerk, evenals het transport van de stalen spanten, werd gedaan met Amerikaanse legertrucks, nu in gebruik bij de schroothandelaren.
Wat opviel was, dat de masten die dicht bij een verharde weg stonden het eerst werden gesloopt. Pas veel later kwamen ook de andere masten aan de beurt.
De betonnen funderingen liet men staan en hebben nog jaren het terrein ontsierd.
Verder ging het gerucht dat er zelfs complete masten door onbekenden gestolen werden."

[18] Vanwege de permanente oorlogstoestand ging een groot aantal exportmarkten voor de Nederlandse industrie verloren. De import van grondstoffen en brandstoffen, zoals koper en kolen, verliep daardoor stroef. De afhankelijkheid van de Duitse markt werd nog groter dan van vóór de oorlog. Een sterke toename van het handelsverkeer met Duitsland was het gevolg. Ongeveer een derde van het Nederlandse bedrijfsleven, en vanaf 1944 zelfs de helft, werkte uitsluitend voor Duitse opdrachtgevers. Een belangrijk deel van de opdrachten betrof militaire goederen. De bedrijven die deze opdrachten uitvoerden, stonden bekend onder de naam Rüstungsbetriebe. Ideologische beweegredenen speelden bij deze economische collaboratie nauwelijks een rol. Het departement van Economische Zaken en de ondernemers trachtten het industriële apparaat in Nederland zoveel mogelijk in stand te houden. Een productie voor de binnenlandse markt was alleen maar mogelijk onder voorwaarde, dat meegewerkt werd aan de productie voor Duitsland.
Gedurende de bezetting was de voornaamste zorg van de elektriciteitsbedrijven om de voorziening zo goed mogelijk in stand te houden. Het waren vitale bedrijven, onontbeerlijk voor de maatschappelijke continuïteit.
Binnen de elektriciteitsbedrijven voelde men dit ook zo. Hierdoor bleef het centralepersoneel op zijn post, ondanks het gevaar van geallieerde bombardementen. De vraag of men collaboreerde was voor velen niet relevant. Men leverde weliswaar stroom aan Duitse instanties en aan de Rüstungsbetriebe, maar het nadeel van deze hulp aan de vijand woog bij lange na niet op tegen het voordeel voor de eigen bevolking.
Deze opvatting was conform de richtlijnen die de Nederlandse regering vóór de oorlog had uitgevaardigd. Voor het functioneren van ambtenaren tijdens een oorlogssituatie was het Landoorlogreglement van 1907, inclusief de aanvullingen daarop, van toepassing.
Eén van de aanwijzingen was:
De reden dat ambtenaren in functie blijven is, dat deze in het belang is van de bevolking. Het nadeel, dat zij daardoor mede het belang van de bezetter dienen, is in het algemeen geringer dan het grotere nadeel, dat voor de bevolking zou optreden bij het niet meer functioneren van het eigen bestuursapparaat.

 

BRONNEN

  • PGEM Jaarboek 1940 – 1955
  • Historisches Konzernarchiv RWE, Essen BRD
  • Internetsite RWE Essen
  • Wesel: 100 Jahre unter Strom; Hesse
  • Electrifying Europe; Lagendijk (proefschrift)
  • De ontwikkeling van het Nederlandse koppelnet tijdens WWII; Verbong, van Empelen en Hesselmans
  • De grootsche gedachte van het koppelen der centrales; van Empelen
  • RAN
  • A. de Kluys, Huissen
  • Archief auteur


REAGEER

terug

Reactiepagina
Reactie 1:

Peter den Ouden, 15-02-2017: Interessant artikel over die hoogspanningslijn. De Duitsers waren en zijn meesters in het ontwerpen van die masten; de masten zijn in het algemeen heel wat sierlijker dan de Nederlandse ontwerpen. In ons land wordt ook zeer veel halfverankering toegepast wat een onrustig beeld geeft. De Duitsers houden het bij vertikale isolatorkettingen wat veel eleganter is. Helemaal vreselijk zijn die nieuwe Wintrackmasten (palen) die in ons land gebouwd worden zoals tussen Doetinchem en Wesel.
Geef mij de Duitse Donaumasten maar !

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: